Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 23 december 2025.
2.De feiten
IN AANMERKING NEMENDE:
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vrouw en haar ex-man. Partijen zijn gescheiden en de vrouw heeft de man verzocht mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning. De man weigerde echter zijn medewerking te verlenen, wat leidde tot de vordering van de vrouw om de voorzieningenrechter te machtigen om de woning te verkopen en de man te veroordelen de woning te verlaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de woning deel uitmaakte van de gemeenschap van goederen en dat de man gehouden is om mee te werken aan de verkoop, zoals eerder bepaald in een verstekvonnis. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de vrouw niet langer kan worden gevergd de huidige situatie te laten voortduren, gezien de lange periode waarin de man niet heeft meegewerkt. De vorderingen van de vrouw zijn grotendeels toegewezen, inclusief de machtiging tot verkoop van de woning en de ontruiming door de man binnen twee maanden. De rechtbank heeft ook de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.