Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 februari 2026
Zaaknummer
C/09/684411 / FA RK 25-3214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging omgangsregeling en kinderalimentatie wegens onvoldoende onderbouwing en verzet minderjarige

De vader verzocht de rechtbank om een nieuwe omgangsregeling vast te stellen voor zijn minderjarige zoon, met name gericht op vaste vakanties, en om de kinderalimentatie te verlagen naar €40 per maand. De moeder verzette zich tegen de wijziging van de omgangsregeling en voerde verweer tegen de verlaging van de alimentatie.

De rechtbank heeft de minderjarige gehoord, die aangaf geen behoefte te hebben aan contact met zijn vader en zich overvallen voelde door het verzoek. De vader had geen contact met de minderjarige gehad sinds ruim 2,5 jaar en had hem niet geraadpleegd over het verzoek. Gezien de leeftijd van de minderjarige moet zijn mening serieus worden genomen, waardoor een dwang tot contact averechts zou werken.

Ten aanzien van de alimentatieverzoek oordeelde de rechtbank dat de vader onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie. Ondanks het overleggen van een voorlopige toekenningsbeslissing en een jaarrekening van een holding waarvan hij aandeelhouder is, ontbraken essentiële financiële gegevens. De vader was bovendien niet verschenen om nadere toelichting te geven.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling en verlaging van de kinderalimentatie niet kan worden toegewezen en wees het verzoek af.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging omgangsregeling en verlaging kinderalimentatie wordt afgewezen wegens verzet van de minderjarige en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3214
Zaaknummer: C/09/684411
Datum beschikking: 14 januari 2026

Gezagsuitoefening en kinderalimentatie

Beschikking op het op 29 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader / de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.F. Mandos te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder / de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: --.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- een e-mail van 8 september 2025 van de zijde van de vrouw.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in een gesprek met de kinderrechter zijn mening kenbaar gemaakt.
Op 3 december 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de man en de vrouw. Namens de Raad van de Kinderbescherming is M. Wamelink verschenen.
Van zowel de zijde van de vrouw als namens de man is een nader stuk overgelegd.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] .
- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- De vader is verder de ouder van het volgende thans nog minderjarige kind uit een
voorbije relatie:
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 5 oktober 2012 is – voor zover hier van belang
– bepaald:
- dat [de minderjarige 1] vanaf 1 januari 2013 eenmaal per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader zal zijn;
- dat [de minderjarige 1] op zijn verjaardag in de even jaren bij de vader zal zijn, alsmede jaarlijks op Vaderdag en op de verjaardag van de vader, de overige bijzondere dagen in overleg tussen de ouders nader te bepalen;
- dat [de minderjarige 1] in de zomervakantie, aansluitend aan de bouwvakantie, jaarlijks minstens twee weken bij de vader zal zijn, en gedurende de helft van de overige vakanties in overleg tussen de ouders nader te bepalen.
- Bij vonnis in kort geding van 23 juli 2018 is bepaald dat de moeder de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 5 oktober 2012 dient na te komen onder oplegging van een dwangsom. Dit vonnis is op 31 juli 2018 betekend aan de moeder.
- Bij beschikking van 11 oktober 2017 is de door de vader met ingang van 1 september
2016 te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] op
€ 137,-- per maand bepaald.

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- een nieuwe omgangsregeling vast te stellen die recht doet aan de belangen van alle partijen, met daarbij in het bijzonder aandacht voor de vakantieperioden, en daarbij een dwangsom op te leggen aan de moeder wanneer zij de regeling niet nakomt;
- vast te stellen welke bedrag aan een bijdrage in de kosten levensonderhoud de man aan de vrouw dient te voldoen met betrekking tot de minderjarige [de minderjarige 1] en voor zover een verweer uitblijft ten aanzien van die verweerder te bepalen dat de bijdrage van een in goed justitia te bepalen datum € 40,- per maand zal bedragen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft op zitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Omgang / contact / zorgregeling
De vader stelt dat de breuk tussen hem en de moeder een groot aantal onderlinge procedures als gevolg heeft gehad met als rode draad de omgang tussen hem en [de minderjarige 1] . Deze omgang komt maar niet op gang en de vader heeft [de minderjarige 1] al geruime tijd niet gezien. Volgens de vader worden afspraken niet nagekomen of zijn er geen afspraken te maken. De vader meent dat de omgang moet worden hersteld.
De vader wenst dat zijn beide zonen ( [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ) bij hem zijn met de voorjaarsvakantie, de herfstvakantie, de tweede week van de kerstvakantie en de laatste week van de zomervakantie.
De vader wil vooral een vaste regeling voor alle komende vakanties. Gelet de leeftijd van [de minderjarige 1] , de woonafstand en de lopende discussies acht hij dit niet alleen rechtvaardig maar ook het meest duidelijk. Voor de reguliere omgang lijkt het hem het beste het aan de kinderen over te laten of zij op dat moment naar de vader willen of niet. Gelet op de geschiedenis van niet nakoming acht hij opnieuw een dwangmiddel aan de orde.
De moeder voert aan dat er alle langere tijd geen contact is tussen de vader en [de minderjarige 1] . De vader heeft hem op een dag gewoon niet meer opgehaald. [de minderjarige 1] heeft geen behoefte meer aan contact met zijn vader. Hij was ook erg verbaasd over dit verzoek van de vader omdat de vader hem hierover niets heeft verteld.
De rechtbank heeft [de minderjarige 1] gesproken. Tussen hem en de vader is inmiddels al 2,5 jaar geen contact meer. Volgens [de minderjarige 1] heeft zijn vader hem op een gegeven moment niet meer opgehaald en ook daarna heeft hij niets meer van zijn vader gehoord. Hij voelt zich overvallen door dit verzoek om vaststelling van een vakantieregeling. De rechtbank heeft de vader niet naar zijn beweegredenen voor het vaststellen van deze regeling kunnen spreken. Verder is [de minderjarige 1] inmiddels op een leeftijd is dat er niet meer over hem maar met hem beslissingen worden genomen. De vader heeft [de minderjarige 1] niet gesproken over zijn wens om contact, heeft [de minderjarige 1] hierover ook geen bericht gestuurd. [de minderjarige 1] heeft zelf duidelijk aangegeven geen behoefte te hebben aan contact met zijn vader.
De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van een (nieuwe) omgangsregeling op dit moment niet de door de vader gewenste doorbraak in zijn relatie tot [de minderjarige 1] zal opleveren. [de minderjarige 1] is immers op een zodanige leeftijd dat zijn mening ten aanzien van het contact met zijn vader serieus genomen en gerespecteerd moet worden. Drang of dwang tot contact zal naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie eerder averechts werken. Het verzoek van de vader om een (nieuwe) omgangsregeling vast te stellen en een dwangsom te koppelen aan de naleving daarvan zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Kinderalimentatie
De vader heeft verzocht de kinderalimentatie te verlagen naar € 40,-- per maand.
De moeder heeft op zitting mondeling verweer gevoerd tegen het verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie niet heeft onderbouwd. Zo is zijn inkomenspositie volstrekt ondoorgrondelijk. De man heeft een (voorlopige) toekenningsbeslissing en specificaties van een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) overgelegd, maar dit is onvoldoende. Dit klemt temeer omdat de
man een jaarrekening 2023 van [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft overgelegd, waaruit volgt dat hij 100% aandeelhouder is van de holding [bedrijfsnaam 2] B.V.. Over deze onderneming heeft de man geen financiële stukken in het geding gebracht.
Gelet hierop zijn er teveel onduidelijkheden over de financiële positie van de man en omdat de man niet op de zitting is verschenen, kon de rechtbank hem hierover geen vragen stellen om meer duidelijkheid te verkrijgen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man op grond van de huidige overgelegde stukken onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij niet in staat is om de vastgestelde kinderalimentatie te betalen.
De rechtbank wijst het verzoek van de man gelet hierop af.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2026.