Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11914116 RP VERZ 25-50773
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst zonder ernstig verwijtbaar handelen werkgever

De werknemer, sinds januari 2023 in dienst bij de werkgever, verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 met diverse vergoedingen, waaronder transitie- en billijke vergoeding. De werkgever berustte in de ontbinding, maar betwistte de overige vorderingen.

Partijen hadden een verschillend beeld over het verloop van het overnametraject en de arbeidsrelatie, waarbij de werknemer stelde onder druk te zijn gezet en niet serieus genomen vanwege zwangerschapscomplicaties. De werkgever ontkende dit en stelde zorgvuldig te hebben gehandeld.

De kantonrechter oordeelde dat de ontbinding toewijsbaar is, maar dat de werknemer onvoldoende onderbouwing leverde voor ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Ook het non-concurrentiebeding werd niet van toepassing verklaard omdat dit niet expliciet was overeengekomen bij omzetting van de arbeidsovereenkomst.

De bonus over 2024 was reeds betaald en over 2025 niet toegekend vanwege bedrijfsresultaten. Proceskosten werden gecompenseerd. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 maart 2026, zonder toekenning van de gevorderde vergoedingen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 maart 2026 zonder toekenning van transitie- en billijke vergoeding wegens ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
CK/c
Zaaknummer / rekestnummer: 11914116 \ RP VERZ 25-50773
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van
[verzoekende partij],
wonende te Wateringen,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. J.F.H. Teunissen,
tegen
[verwerende partij] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
gemachtigde: mr. I. Castenmiller.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 8 oktober 2025;
- het verweerschrift met producties, ingekomen op 6 januari 2026;
- de door [verzoekende partij] overgelegde additionele producties, ingekomen op 13 januari 2026;
- de overgelegde en voorgedragen pleitnota’s van partijen;
- de voorgedragen schriftelijke verklaring van [verzoekende partij] .
1.2.
Op 15 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is [verzoekende partij] in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Namens [verwerende partij] is verschenen [naam] bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. De beschikking is vervolgens bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekende partij] , geboren [geboortedatum] 1992, is sinds 2 januari 2023 in dienst bij [verwerende partij] . Per 1 januari 2024 is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.2.
In de periode van november 2024 tot februari 2025 spraken partijen over de overname van [verwerende partij] door [verzoekende partij] . Zowel [verzoekende partij] als [verwerende partij] werden tijdens dat proces bijgestaan door adviseurs.
2.3.
Op 21 november 2024 spraken partijen (en hun adviseurs) geheimhouding af over het overnametraject. Ook spraken partijen een tijdsplanning af, met het voornemen de levering medio maart 2025 te laten passeren.
2.4.
Op 18 december 2024 vond een verkennend gesprek plaats tussen partijen (en hun adviseurs) waarbij vervolgafspraken en financieringsmogelijkheden zijn besproken.
2.5.
Op 20 december 2024 stuurde [verwerende partij] aan [verzoekende partij] een salarisvoorstel en een niet verder uitgewerkt bonusvoorstel (voor 2024). Het voorstel is niet ondertekend, maar de salarisverhoging van 5% is wel doorgevoerd door [verwerende partij] .
2.6.
Op 29 januari 2025 vond opnieuw een gesprek plaats over de vervolgafspraken en financieringsmogelijkheden.
2.7.
Op 2 februari 2025 bericht [verzoekende partij] per e-mail aan [verwerende partij] , in het bijzonder aan [naam] , dat zij tot het besluit is gekomen [verwerende partij] niet te willen overnemen en zij bereid is de mogelijkheden van een overname per 1 januari 2026 verder te onderzoeken na haar zwangerschap. [verzoekende partij] heeft in die e-mail aangeven onder andere dit onderwerp te willen bespreken met [verwerende partij] nadat [naam] terug is van vakantie.
2.8.
Op 27 maart 2025 heeft [verzoekende partij] zich ziekgemeld bij [verwerende partij] . De ziekmelding is door [verwerende partij] geaccepteerd. Het zwangerschapsverlof van [verzoekende partij] sloot aan op deze ziekmelding.
2.9.
Op 3 juni 2025 heeft [verzoekende partij] met haar pasgeboren kind het kantoor van [verwerende partij] in [plaats] bezocht.
2.10.
Op 4 augustus 2025 keerde [verzoekende partij] terug van haar zwangerschapsverlof.
2.11.
Op 6 augustus 2025 heeft [verzoekende partij] zich ziekgemeld bij [verwerende partij] . De ziekmelding is door [verwerende partij] geaccepteerd. Sindsdien heeft [verzoekende partij] geen werkzaamheden meer verricht.
2.12.
In de Probleemanalyse van de bedrijfsarts van 29 augustus 2025 staat bij reden van verzuim:

Er is geen sprake van ziekte maar van een conflict met werkgever, dit conflict betreft functie en werklocatie in het licht van gemaakte afspraken.
2.13.
Op 21 oktober 2025 heeft [verzoekende partij] de bedrijfseigendommen bij haar in bezit, ingeleverd bij [verwerende partij] .

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 december 2025 te ontbinden op grond van artikel 7:671c BW;
een verklaring voor recht dat er geen non-concurrentiebeding van toepassing zal zijn;
een verklaring voor recht dat er geen terugbetalingsverplichting van toepassing is in verband met de studiekostenregeling;
veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van:
i. een transitievergoeding van € 5.539,00 bruto;
ii. een billijke vergoeding van € 100.000,00 bruto;
iii. achterstallig salaris van € 9.000,00 bestaande uit de bonusuitkering over 2024 en 2025;
iv. buitengerechtelijke kosten van € 2.000,00;
v. wettelijke rente;
vi. proceskosten.
3.2.
Volgens [verzoekende partij] is de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig verstoord geraakt doordat [verwerende partij] geen vervolg gaf aan haar aanstelling als directeur en door [verzoekende partij] onder druk te zetten om tot koop van de onderneming te besluiten met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025, terwijl zij op dat moment (ernstige) medische complicaties van haar zwangerschap ervaarde die [verwerende partij] niet serieus nam. Hierdoor kon het arbeidsconflict ontstaan. [verwerende partij] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld.
3.3.
[verwerende partij] berust in het ontbindingsverzoek van [verzoekende partij] maar voert verweer tegen het overig verzochte en stelt dat dit moet worden afgewezen. [verwerende partij] is zich van geen arbeidsconflict bewust en heeft steeds zeer zorgvuldig gehandeld jegens [verzoekende partij] . De aanstelling van [verzoekende partij] als directeur hing samen met de overname van [verwerende partij] door [verzoekende partij] . Nadat [verzoekende partij] van de overname afzag, hebben partijen de samenwerking op de gebruikelijke wijze voortgezet. Verder heeft [verwerende partij] aan [verzoekende partij] alle ruimte gegeven voor doktersafspraken vanwege haar zwangerschapscomplicaties en nieuwe medewerkers geworven om de werkdruk behapbaar te houden. [verwerende partij] heeft [verzoekende partij] tijdens haar verlof gefeliciteerd met de geboorte van haar kind en een attentie gestuurd.

4.De beoordeling

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de verzochte verklaringen voor recht en de verzochte vergoedingen toewijsbaar zijn. Aangezien [verwerende partij] berust in het verzoek van [verzoekende partij] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zal dit verzoek als onweersproken worden toegewezen. Bij het bepalen van de ontbindingsdatum hoeft de kantonrechter geen rekening te houden met de opzegtermijnen in het geval een werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht, maar mag de ontbindingsdatum niet in het verleden liggen. De ontbindingsdatum stelt de kantonrechter daarom vast op 1 maart 2026.
Toepasselijkheid non-concurrentiebeding
4.2.
[verzoekende partij] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat er geen non-concurrentiebeding van toepassing is omdat het beding niet is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verzoekende partij] heeft na een aanstelling van een jaar, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden gekregen (en geaccepteerd). Het gaat i.c. dus niet om arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege is omgezet naar een voor onbepaalde tijd. Een geldig concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd blijft niet automatisch geldig bij de omzetting van de arbeidsovereenkomst naar onbepaalde tijd. Naar de geldigheid van het concurrentiebeding moet bij de omzetting expliciet worden verwezen en/of opnieuw worden overeengekomen. Dat is gesteld noch gebleken. Het is in dat licht onvoldoende dat, zoals [verwerende partij] heeft aangevoerd, er slechts nieuwe afspraken zijn gemaakt over de duur van de arbeidsovereenkomst, de functie en beloning. Dit betekent dat er geen concurrentiebeding van toepassing is en de in dat kader verzochte verklaring voor recht toewijsbaar is.
4.3.
De kantonrechter overweegt ten overvloede dat [verzoekende partij] de facto al sinds maart 2025 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor [verwerende partij] en dat de 12 maanden van het concurrentiebeding daarmee in feite ook al nagenoeg voorbij zijn.
Studiekostenregeling
4.4.
[verwerende partij] heeft verzocht de verklaring voor recht af te wijzen omdat zij bereid is geen studiekosten van [verzoekende partij] terug te vorderen, mits het non-concurrentiebeding gerespecteerd wordt. Gelet op hetgeen hierboven onder 4.2 en 4.3 is overwogen zal dit onderdeel worden toegewezen.
Transitievergoeding en billijke vergoeding; ernstig verwijtbaar handelen werkgever?
4.5.
Omdat een werknemer slechts recht heeft op een transitievergoeding bij onvrijwillig ontslag of bij ontslagname wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, en het recht op een billijke vergoeding ook pas ontstaat als kan worden vastgesteld dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, worden deze vergoedingen tezamen behandeld. Is namelijk geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, in dit geval [verwerende partij] , dan zijn de beide verzochte vergoedingen niet toewijsbaar.
4.6.
[verzoekende partij] verwijt [verwerende partij] , en [naam] in het bijzonder, dat zij tijdens het overnametraject onder druk zou zijn gezet, dat er niet professioneel is gereageerd op haar (medische) toestand, dat de functie van [verzoekende partij] eenzijdig is gewijzigd van directeur naar teammanager, dat bonussen onterecht niet zijn uitbetaald, dat zij is gediscrimineerd en dat niet is meegewerkt aan mediation. Op alle onderdelen heeft [verwerende partij] verweer gevoerd.
4.7.
Behalve uit de stukken is ook tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat partijen het verloop vanaf september 2024 tot en met augustus 2025 compleet anders hebben ervaren. In de kern was [verzoekende partij] in de veronderstelling dat zij tot directeur zou worden aangesteld ongeacht het overnametraject en ongeacht haar zwangerschap en voelt ze zich geschoffeerd door [verwerende partij] (in het bijzonder door [naam] ), terwijl [verwerende partij] in de veronderstelling was dat vanwege de zwangerschap van [verzoekende partij] het overnametraject niet op het goede moment kwam en zij haar werkzaamheden als teammanager vanwege haar gezondheidstoestand in een passende omgeving wilde voortzetten. Als verzoekende partij dient [verzoekende partij] haar verzoeken te stellen en (nader) te onderbouwen. Voor de stellingen van [verzoekende partij] is echter geen steun te vinden in de door partijen overgelegde stukken. De kantonrechter daartoe overweegt als volgt.
4.8.
Voor wat betreft het verwijt van [verzoekende partij] dat [verwerende partij] druk zou hebben uitgeoefend op haar tijdens het overnametraject, heeft [verwerende partij] erkend dat ze zich graag had willen houden aan de afgesproken tijdsplanning van het overnametraject. Daaruit is niet zonder meer uit af te leiden dat er druk is uitgeoefend op [verzoekende partij] . Bovendien was de leveringsdatum aanvankelijk bepaald op medio maart 2025. Daar komt bij dat volgens [verwerende partij] door [verzoekende partij] is voorgesteld de overname per 1 januari 2025 te laten geschieden, terwijl volgens [verzoekende partij] door [verwerende partij] de datum van 1 januari 2025 is voorgesteld, maar het één noch het ander blijkt uit de stukken. Wat ook niet uit de stukken blijkt is dat [verzoekende partij] op enig moment vóór 2 februari 2025 heeft laten doorschemeren dat ze (een vorm van) druk ervaarde, terwijl er vier dagen eerder nog een gesprek heeft plaatsgevonden over het overnametraject tussen partijen (en hun adviseurs) waarbij er kennelijk ook niets over is opgemerkt door [verzoekende partij] . Hoewel het voorgaande niet betekent dat [verzoekende partij] geen gevoel van druk heeft ervaren, dient de kantonrechter feitelijk te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van zodanige druk dat [verwerende partij] ernstig verwijtbaar handelen kan worden verweten. Daarvan is onder de gestelde omstandigheden geen sprake.
4.9.
Hetzelfde geldt voor de overige verwijten die [verzoekende partij] [verwerende partij] maakt. De kantonrechter kan ook die verwijten niet vaststellen. Door [verwerende partij] zijn stukken overgelegd en omstandigheden aangevoerd waaruit soms zelfs het tegendeel is af te leiden, terwijl het op de weg van [verzoekende partij] ligt haar stelling dat ze ernstig gediscrimineerd en geschoffeerd is door [verwerende partij] (nader) te onderbouwen, hetgeen [verzoekende partij] heeft nagelaten.
4.10.
Zo blijkt bijvoorbeeld uit een bericht van [verwerende partij] van 16 november 2024 dat de [verzoekende partij] aangeboden directeursfunctie samenhing met de overname van de onderneming door [verzoekende partij] : “
[…] dat jij directeur bestaande bouw wordt. (onder voorbehoud dat je aankoop doorgaat).” en betwist [verwerende partij] dat [naam] in november 2024 heeft aangekondigd dat [verzoekende partij] een directeursfunctie gaat vervullen, terwijl uit niets blijkt dat [verzoekende partij] ongeacht de overname de functie van directeur zou gaan vervullen.
4.11.
Ook is gebleken dat partijen tijdens het zwangerschapsverlof van [verzoekende partij] informeel contact hadden over de geboorte van het kind van [verzoekende partij] en heeft [verzoekende partij] met haar pasgeboren kind het kantoor van [verwerende partij] bezocht. Het rijmt, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet goed met de stelling van [verzoekende partij] dat [verwerende partij] haar zwangerschap en de complicaties niet accepteerde en zij (onder druk) moest blijven doorwerken van [verwerende partij] . De gespannen mailwisselingen, waaruit de harde en dreigende woorden en de laakbare houding van [naam] blijkt, zijn niet door [verzoekende partij] overgelegd. Daardoor kan de kantonrechter de stelling van [verzoekende partij] niet vaststellen.
4.12.
Verder is de kantonrechter wel gebleken dat mediation niet goed van de grond kwam, maar uit die stukken blijkt niet dat dit in (ernstige) mate te wijten is aan de houding van [verwerende partij] . Überhaupt een goed gesprek tussen partijen heeft niet meer plaatsgevonden na de mededeling van [verzoekende partij] op 2 februari 2025 dat ze van de overname afziet en nog andere zaken die haar bezighielden wenste te bespreken. De kantonrechter heeft de indruk dat hiervan vooral de oorzaak is geweest dat partijen het verloop van de hele situatie compleet anders hebben ervaren, zoals reeds overwogen onder 4.7., zonder elkaar in dat proces mee te nemen. Dat is aan beide partijen te wijten, maar in ieder geval niet in ernstige mate aan [verwerende partij] .
4.13.
De lat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door een werkgever ligt hoog. Het moet gaan om duidelijk en uitzonderlijk laakbaar gedrag dat strijdig is met goed werkgeverschap; niet elke fout van een werkgever is ernstig verwijtbaar. Zelfs als door toedoen van [verwerende partij] sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding, kan niet zonder meer tot het oordeel worden gekomen dat sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag. Om de lat te halen is daarom onvoldoende dat [verwerende partij] , of in het bijzonder [naam] , met diens handelen bij [verzoekende partij] een gevoel van groot onbehagen heeft veroorzaakt dat door [verzoekende partij] wordt ervaren als laakbaar. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verwerende partij] jegens [verzoekende partij] , zodat de verzochte vergoedingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Bonusuitkering 2024 en 2025
4.14.
De bonus over 2024 blijkt inmiddels te zijn uitbetaald zodat [verzoekende partij] geen belang meer heeft bij toewijzing hiervan.
4.15.
Over 2025 zijn vanwege onder meer tegenvallende bedrijfsresultaten geen bonussen uitgekeerd, zo heeft [verwerende partij] onweersproken aangevoerd. Gelet hierop is de verzochte uitbetaling van de bonus over 2025 niet toewijsbaar, nog los van het feit dat hierover geen concrete afspraak is gemaakt.
Buitengerechtelijke kosten en proceskosten
4.16.
Aangezien partijen over en weer in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De buitengerechtelijke kosten volgen, als onderdeel van de vast te stellen proceskosten, hetzelfde lot.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 maart 2026,
5.2.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
verklaart voor recht dat er geen non-concurrentiebeding van toepassing is,
5.4.
verklaart voor recht dat er geen terugbetalingsverplichting op [verzoekende partij] rust in verband met de studiekostenregeling,
5.5.
compenseert de proceskosten,
5.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.