ECLI:NL:RBDHA:2026:2770

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL25.37374
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30c, eerste lid, aanhef en onder c, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Georgische nationaliteit na toepassing spoor 4 procedure

Eiser, een Georgische staatsburger, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 15 juli 2025 af als ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde dat de eerdere behandeling van de aanvraag in de versnelde procedure (spoor 2) onzorgvuldig was en dat de aanvraag opnieuw in de algemene procedure (spoor 4) moest worden behandeld.

Na een medisch onderzoek en aanvullend gehoor in mei 2025, werd het beroep inhoudelijk behandeld. Eiser stelde dat er sprake was van een onzorgvuldige besluitvormingsprocedure en dat het bestreden besluit was gebaseerd op een ingetrokken voornemen. De rechtbank stelde vast dat de waarborgen van spoor 4 waren toegepast en dat het medisch onderzoek geen beperkingen aan het licht bracht.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit terecht was gebaseerd op het inhoudelijke voornemen van 6 juni 2025, ondanks de intrekking van dat voornemen vanwege het mob-gaan van eiser. De minister mocht dit doen omdat eiser zich weer had gemeld. Er was geen sprake van een motiveringsgebrek of onzorgvuldigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37374

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Georgische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.A. Koning),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A.P.E.M. Pover, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Voorgeschiedenis
3. Eiser heeft op 7 september 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 24 september 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle bij uitspraak van 18 april 2025 gegrond verklaard. [2] De rechtbank heeft in deze uitspraak vastgesteld dat uit het informatiebericht van 9 oktober 2024 [3] dat de minister naar aanleiding van het arrest van het Hof [4] van 4 oktober 2024 [5] heeft opgesteld, volgt dat asielaanvragen van vreemdelingen met een Georgische nationaliteit vanaf het verschijnen van het informatiebericht niet meer in spoor 2 (versnelde procedure) maar in spoor 4 worden behandeld (de algemene asielprocedure). Omdat de rechtbank niet kon uitsluiten dat eiser in zijn belangen is geschaad door de behandeling van zijn aanvraag in spoor 2, heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister eisers asielaanvraag alsnog in spoor 4 moet behandelen.
3.1.
Op 6 mei 2025 heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden en op 22 mei 2025 heeft een aanvullend gehoor plaatsgevonden.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft problemen
met een man, [naam 2] . Deze problemen zijn ontstaan toen hij net klaar was met school. Eiser had destijds een vriendin, die hij heeft ontmaagd. Deze vrouw is nu de echtgenote van [naam 2] . [naam 2] werkt voor de overheid en stuurt handlangers op eiser af, die hem meerdere keren in elkaar hebben geslagen. Eiser heeft twintig jaar in Turkije verbleven wegens deze problemen. Hij heeft ook een jaar in Georgië verbleven, waar hij [naam 2] en de handlangers niet heeft gezien. Hij denkt dat ze hem wel kunnen traceren en vreest hiervoor bij terugkeer.
Besluitvorming
5. Op 6 juni 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om de asielaanvraag van eiser af te wijzen als ongegrond. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen in Georgië.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser
geloofwaardig zijn. De problemen in Georgië vindt de minister niet geloofwaardig.
5.1.
Omdat eiser vanaf 1 juli 2025 met onbekende bestemming (mob) was vertrokken, heeft de minister op 10 juli 2025 het voornemen van 6 juni 2025 ingetrokken en een nieuw voornemen uitgebracht. In dit voornemen geeft de minister aan dat hij vanwege het mob gaan van eiser van plan is de asielaanvraag van eisers buiten behandeling te stellen. [6]
5.2.
Eiser meldt zich vervolgens weer op 14 juli 2025 in ter Apel.
5.3.
Bij het bestreden besluit van 15 juli 2025 heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Hij heeft daarbij verwezen naar het voornemen van 6 juni 2025, waarin is gemotiveerd waarom eiser geen verblijfsvergunning krijgt. De inhoud van dit voornemen maakt deel uit van het bestreden besluit.
Is er sprake van een onzorgvuldige procedure?
6. Eiser voert aan dat er gelet op de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 18 april 2025, een medisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Volgens eiser is niet gebleken dat er een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat na de uitspraak van 18 april 2025 de procedurele waarborgen van spoor 4 zijn toegepast. Er heeft op 6 mei 2025 een medisch onderzoek plaatsgevonden en eiser is op 22 mei 2025 aanvullend gehoord. Uit het medisch onderzoek is niet gebleken dat eiser beperkingen had om te kunnen verklaren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert verder aan dat nu het bestreden besluit is gebaseerd op het later ingetrokken voornemen van 6 juni 2025, het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en er sprake is van een motiveringsgebrek.
7.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel in het voornemen van 10 juli 2025 staat dat het voornemen van 6 juni 2025 is ingetrokken, omdat eiser mob is gegaan, begrijpt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit heeft teruggegrepen op het inhoudelijke voornemen van 6 juni 2025, omdat eiser zich inmiddels weer had gemeld. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat met de terugkeer van eiser het voornemen om eisers asielaanvraag buiten behandeling te stellen is komen te vervallen en dat de minister het bestreden besluit heeft mogen baseren op de inhoud van het voornemen van 6 juni 2025. Uit het dossier blijkt verder dat tegen het voornemen van 6 juni 2025 een zienswijze kon worden ingediend en deze termijn ongebruikt is gelaten. Van een onzorgvuldige besluitvormingsprocedure is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Eiser had bovendien in de onderhavige beroepsprocedure tegen de inhoudelijke motivering van het bestreden besluit, waarin is gewezen op voornemen van 6 juni 2025, gronden kunnen aanvoeren, maar dat niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
3.Informatiebericht 2024/61, Arrest Hof van Justitie veilige landen van herkomst India en Georgië.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.Arrest van 4 oktober 2024 in de zaak C-406/22, ECLI:EU:C:2024:841.
6.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.