ECLI:NL:RBDHA:2026:2768

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL25.22405
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 15 Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU)Art. 3:46 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid bij afwijzing asielaanvraag uit Afghanistan

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende op 6 december 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees deze aanvraag op 9 mei 2025 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van eisers verhaal over problemen met de Taliban.

De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiser tegenstrijdig, vaag en summier heeft verklaard. Verweerder heeft onvoldoende doorgevraagd tijdens het nader gehoor, waardoor het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank stelt vast dat eiser consistent en geloofwaardig heeft verklaard over zijn situatie, waaronder bedreigingen door de Taliban en de gevolgen daarvan.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22405

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 6 december 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
Op 27 januari 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de Taliban. Eiser had in Afghanistan een naaiatelier. Via zijn medewerker [naam], werd eiser benaderd door leden van de Taliban om wapens in het magazijn van zijn winkel te verstoppen. Initieel heeft eiser dit geweigerd, maar na te zijn bedreigd met een wapen heeft hij toch ingestemd om samen te werken. Eiser is vervolgens naar de politie gegaan om dit te melden. Daarop werd [naam] opgepakt. De Taliban is daarna bij eisers ouderlijk huis geweest om hem te zoeken. Daarbij is een handgranaat gegooid waardoor zijn ouders en zussen gewond zijn geraakt. Bij terugkeer vreest eiser door de Taliban vermoord te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
problemen met de Taliban.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft met de Taliban vindt verweerder niet geloofwaardig. Eisers verklaringen hierover vormen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Verder vindt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees heeft voor vervolging [3] of een reëel risico op ernstige schade loopt [4] bij terugkeer naar Afghanistan. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten onrechte werpt verweerder tegen dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over waar hij was toen hij werd gebeld door [naam]. Eiser heeft dit bovendien met de correcties en aanvullingen van 21 september 2024 gecorrigeerd. Hij heeft daarnaast consequent verklaard over het telefoongesprek en de inhoud daarvan. Ook heeft eiser niet vaag en summier verklaard over de voorgestelde samenwerking met de Taliban. Verweerder heeft ten onrechte niet doorgevraagd naar de details. Dat er geen gedetailleerde afspraken zijn gemaakt, is juist kenmerkend voor hoe dit in de praktijk gaat. Verder heeft eiser, anders dan verweerder stelt, voldoende verklaard over de personen die te maken hebben met de problemen. Eiser vindt dat hij vanwege zijn problemen met de Taliban, zijn verwestering en de verslechterde veiligheidssituatie een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Ten onrechte is verweerder niet nagegaan of er in Afghanistan sprake is van een 15c-situatie [5] , waarbij ook de humanitaire situatie meegenomen moet worden. Tot slot verzet eiser zich om deze redenen ook tegen het terugkeerbesluit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
6. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat eiser is geboren op [geboortedatum] 1994, zijnde de geboortedatum zoals door eiser opgegeven. De in het bestreden besluit vermelde geboortedatum van 1 mei 1998 berust op een kennelijke verschrijving. Er dient dan ook van de geboortedatum van [geboortedatum] 1998 uitgegaan te worden.
Mocht verweerder eisers gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig vinden?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers gestelde problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn.
7.1.
Zo heeft verweerder eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij was ten tijde van het telefoongesprek met [naam]. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard: “Op een avond heb ik de zaak gesloten. Toen wilde ik naar huis gaan. [naam] belde mij. Hij vroeg of ik naar buiten kon komen. […] Hij wilde binnen overleggen. Ik heb de gastenkamer geopend.” [6] Uit deze verklaring volgt niet dat eiser zich op dat moment nog in zijn zaak bevond. Dat hij de zaak had gesloten en naar huis wilde gaan, impliceert niet dat het telefoongesprek op zijn werk heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft dit dan ook onvoldoende gemotiveerd. Eiser heeft later bovendien verklaard dat hij thuis was toen hij werd gebeld. [7] Op het moment dat eiser vervolgens geconfronteerd wordt met de vermeende tegenstrijdigheid, licht hij toe dat hij zich thuis bevond en dat hij daar met de personen in de gastenkamer heeft gesproken. [8] Ter zitting heeft eiser nader verklaard dat hij op zijn werk geen gastenkamer heeft, maar bij hem thuis wel. Deze gastenkamer maakt deel uit van zijn woning, maar beschikt over een eigen, aparte voordeur. Dat hij na het gesprek naar huis is gegaan, zoals hij in het nader gehoor op pagina 15 heeft verklaard, impliceert, gelet op deze toelichting, dan ook niet automatisch dat hij dan op zijn werk had moeten zijn. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de reistijd van zijn werk naar huis een half uur bedraagt, terwijl [naam] en de anderen volgens zijn verklaring al binnen twee minuten na het telefoongesprek aanwezig waren. [9] Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij was toen [naam] belde. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, ondanks het voorgaande als tegenstrijdig moeten worden aangemerkt. Bovendien heeft eiser, anders dan verweerder in het verweerschrift stelt, niet verklaard dat hij zich op zijn werk bevond ten tijde van het telefoongesprek.
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de voorgestelde samenwerking met de Taliban. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het niet aannemelijk zou zijn dat tijdens een eerste ontmoeting nog geen concrete afspraken over de samenwerking zijn gemaakt. Eiser heeft verklaard dat de betreffende personen een foto van hem hadden gemaakt en hem hebben meegedeeld dat iemand anders met die foto bij hem langs zou komen, waarna hij met die persoon zou moeten samenwerken. [10] Gelet op deze verklaringen is het naar het oordeel van de rechtbank niet onlogisch dat er tijdens de eerste ontmoeting nog geen nadere afspraken zijn gemaakt. Uit eisers relaas volgt immers dat er een vervolgmoment zou zijn waarop verdere invulling aan de samenwerking zou worden gegeven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom onder deze omstandigheden meer van eiser aan detail mocht worden verwacht, en ook niet waarom zijn verklaringen daarom als vaag of summier moeten worden aangemerkt.
7.3.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser over de personen die een rol hebben gespeeld bij de gestelde problemen niet als summier heeft mogen aanmerken. Tijdens het nader gehoor heeft verweerder eiser gevraagd het uiterlijk van [naam] te beschrijven. Eiser heeft daarop verklaard dat het ging om een man van ongeveer 25 tot 30 jaar oud met een korte baard. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij een serieuze jongen was, niet erg open was en traditionele kleding droeg. [11] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser niet mogen tegenwerpen dat hij in algemeenheden is blijven steken nu verweerder zijn vragen heeft beperkt tot het uiterlijk van [naam]. Uit Werkinstructie 2021/13 van de IND volgt dat er een samenwerkingsverplichting tussen de hoormedewerker en de vreemdeling bestaat en dat de hoormedewerker voldoende moet doorvragen. [12] Indien verweerder meer informatie had willen verkrijgen dan enkel een uiterlijke beschrijving, had het op weg van verweerder gelegen gerichte vervolgvragen te stellen. Dat is niet gebeurd. Verweerder heeft enkel nadere vragen gesteld over de lengte van de baard en de traditionele kleding. Door niet verder door te vragen en eiser vervolgens tegen te werpen dat hij summier heeft verklaard, is het besluit niet met de juiste zorgvuldigheid genomen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gewapende man. Ook hier heeft verweerder volstaan met algemene vragen naar bijzonderheden [13] zonder gericht door te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder hier door moeten vragen, temeer nu verweerder erkent dat in een stressvolle situatie minder gedetailleerde verklaringen mogen worden verwacht. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij desondanks tot het standpunt komt dat eiser summier heeft verklaard.
8. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers gestelde problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn en dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Er is daarom sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. De beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers problemen werkt door in de beoordeling van de risico’s bij terugkeer. Gelet op deze samenhang zal de rechtbank de overige beroepsgronden op dit moment niet bespreken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het besluit in strijd is met het motiverings- [14] en het zorgvuldigheidsbeginsel [15] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van eiser en daarbij rekening houden met deze uitspraak. [16]
10. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- [17] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
5.Op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU).
6.Verslag van het nader gehoor van 9 september 2024, p. 15.
7.Idem, p. 22.
8.Idem, p. 22-23.
9.Idem, p. 22.
10.Idem, p. 15.
11.Verslag van het nader gehoor, p. 19-20.
12.WI 2021/3, p. 8.
13.Verslag van het nader gehoor, p. 20.
14.Op grond van artikelen 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
15.Op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb.
16.De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
17.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1.