Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 14 juni 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 9 oktober 2025 schriftelijk in gebreke, waarna zij meer dan twee weken later beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist.
De minister had aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden verlengd op grond van een beleidsbesluit, maar dit besluit is ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer geldt. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Omdat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven, moet de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna het besluit bekendmaken.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 467,-, omdat zij een professionele gemachtigde inschakelde en de zaak alleen over de beslistermijn ging. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 13 januari 2026.