AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Duitsland volgens Dublinverordening
Eisers dienden op 29 juni 2025 asielaanvragen in Nederland in, die door de minister op 29 augustus 2025 niet in behandeling werden genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eisers betoogden dat zij rechtmatig verblijf hadden in Griekenland en dat Duitsland niet verantwoordelijk kon zijn, mede vanwege hun Griekse verblijfsvergunning en de omstandigheden van hun asielaanvraag in Duitsland.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht Duitsland als verantwoordelijke lidstaat aanmerkt, mede op basis van het arrest QY van het Hof van Justitie, waarin is vastgesteld dat een eerdere vluchtelingenstatus in een andere lidstaat niet automatisch de verantwoordelijkheid van die lidstaat bepaalt. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt voor Duitsland, ondanks zorgen van eisers over mogelijke uitzetting naar Irak.
Eisers voerden aan dat artikel 17 vanPro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege de psychische toestand van eiseres, maar de rechtbank stelt dat de minister terecht geen toepassing gaf aan dit artikel, mede op basis van het BMA-advies en het arrest C.K. Subsidiair werd betoogd dat overdracht aan Griekenland in strijd zou zijn met artikel 3 EVRMPro, maar dit werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat overdracht aan Duitsland plaatsvindt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de asielaanvragen niet hoeft te behandelen en eisers mag overdragen aan Duitsland. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard en de minister mag eisers overdragen aan Duitsland.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.41577 en NL25.41579
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaken tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser
[eiseres], v-nummer: [nummer 2], eiseres
mede namens hun minderjarige zoon [naam kind]eisers
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers omdat Duitsland verantwoordelijk is daarvoor. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister heeft terecht vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland geldt. Verder hoefde de minister artikel 17 vanPro de Dublinverordening niet toe te passen. De minister hoefde niet te beoordelen of overdracht aan Griekenland wel mocht, omdat besloten is om eisers aan Duitsland over te dragen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 29 juni 2025 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 29 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvragen.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen voor eisers. Op 9 oktober 2025 heeft de minister de rechtbank verzocht om de beroepen aan te houden, omdat de minister aanleiding zag voor het opvragen van een BMA-advies. Ook heeft hij te kennen gegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening. Op 10 oktober 2025 heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding toegewezen en de zaken aangehouden. De verzoeken om voorlopige voorziening zijn toegewezen op 14 oktober 2025. [1]
2.2.
Op 2 december 2025 heeft BMA [2] een medisch advies over eiseres uitgebracht. De minister heeft hierop op 4 december 2025 gereageerd. Op 6 januari 2026 heeft de minister een verweerschrift ingediend over de toepasbaarheid van de Dublinverordening op eisers.
2.3.
Op 4 februari 2026 hebben eisers aanvullende gronden en stukken ingediend. De rechtbank heeft op de zitting uitgelegd dat deze niet in behandeling worden genomen. De aanvullende gronden en stukken zijn namelijk pas één dag voor de zitting en na kantooruren (om 21:26 uur) toegevoegd aan het digitale dossier en de stukken ontbreken bovendien een beëdigde vertaling. Daarom zijn de stukken te laat ingediend en blijven ze buiten beschouwing bij de beoordeling van de beroepen van eisers.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de besluiten
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland verzoeken om terugname gedaan. Duitsland heeft deze verzoeken op 24 juli 2025 aanvaard. [4]
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor (de verzoeken om internationale bescherming van) eisers?
4. Eisers betogen dat Duitsland niet verantwoordelijk is voor hun asielverzoeken. Ze hebben legaal verblijf in Griekenland en waren alleen voor familiebezoek in Duitsland. Op het vliegveld zijn hun Griekse reisdocumenten ingenomen door de Duitse autoriteiten, waardoor terugkeer naar Griekenland onmogelijk werd en ze gedwongen waren om asiel aan te vragen in Duitsland. De Duitse autoriteiten weigerden de asielaanvragen van eisers, maar gaven hun Griekse reisdocumenten niet terug. Eisers betogen dat zij hun rechtmatig verblijf in Griekenland hebben behouden, wat de toepassing van de Dublinverordening in de huidige asielprocedure in Nederland in de weg staat. De minister had op grond van het arrest Jawo [5] en artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) moeten erkennen dat eisers al bescherming hebben in een andere lidstaat en dat zij zich daarom daar moeten melden. Dit is niet gebeurd. Daarnaast geeft de minister artikel 62a van de Vw 2000 onjuist weer; [6] eisers moeten eerst Nederland op bevel van de minister verlaten en terugkeren naar Griekenland. Er kan daarom geen sprake zijn van een terugkeer- of overdrachtsbesluit, omdat daarvan pas sprake kan zijn op het moment dat eisers niet voldoen aan het bevel van de minister. Tot slot is het juridisch onjuist dat Duitsland formeel de asielclaim van eisers zou accepteren volgens artikel 18, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat zij al bescherming hebben in Griekenland en geen recht hebben op een nieuwe asielaanvraag in de Europese Unie.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister acht terecht Duitsland verantwoordelijk voor de asielaanvragen van eisers volgens de Dublinverordening. Het staat vast dat eisers in Griekenland een verblijfsvergunning hebben. Het Hof van Justitie heeft in het arrest QY van 18 juni 2024 duidelijk gemaakt dat een lidstaat niet automatisch een vluchtelingenstatus hoeft over te nemen als een asielzoeker al bescherming heeft in een andere lidstaat. [7] Volgens de Dublinverordening behandelt altijd één lidstaat de asielaanvraag. Als een statushouder een lidstaat verlaat waarnaar terugkeer niet mogelijk is en in een andere lidstaat opnieuw asiel aanvraagt, moet opnieuw worden bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Daarbij telt de eerdere toegekende vluchtelingenstatus niet automatisch mee. Dit voorkomt de situatie dat geen enkele lidstaat verantwoordelijk is en dat alle lidstaten de aanvraag moeten behandelen, wat tegen de bedoeling van de regels van de Dublinverordening ingaat.
4.1.1.
In deze zaak leidt dit ertoe dat de minister terecht Duitsland verantwoordelijk houdt voor de asielaanvragen van eisers, omdat eisers na vertrek uit Griekenland in Duitsland opnieuw asiel hebben aangevraagd. De afwijzing van deze aanvragen in Duitsland (zoals eisers hebben bevestigd op de zitting), betekent niet dat Duitsland volgens de regels van de Dublinverordening niet meer verantwoordelijk is, omdat Duitsland het asielverzoek inhoudelijk heeft behandeld. Duitsland heeft deze verantwoordelijkheid ook bevestigd in het claimakkoord van 24 juli 2025. Dat betekent dat Duitsland de verantwoordelijkheid voor de asielaanvragen van eisers draagt. Het feit dat eisers statushouders zijn in Griekenland verandert hier niets aan. Ook het argument dat zij alleen voor familiebezoek in Duitsland waren en geen asiel wilden aanvragen, leidt niet tot een andere conclusie. Eisers moeten zich wenden tot de Duitse autoriteiten als zij hun Griekse documenten willen terugkrijgen. Er is geen bewijs dat de Duitse autoriteiten hen niet willen of kunnen helpen. Wat artikel 62a van de Vw 2000 betreft, heeft de minister op de zitting terecht toegelicht dat dit artikel niet van toepassing is in de situatie van eisers, omdat het hier niet om een terugkeerbesluit gaat, maar om een overdrachtsbesluit zoals bedoeld in artikel 62b van de Vw 2000.
Mag de minister ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eisers voeren aan dat de minister voor Duitsland niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister gaat ten onrechte ervan uit dat Duitsland zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag naleeft. Er zijn duidelijke signalen dat Duitsland zijn verplichtingen schendt en eisers wil uitzetten naar Irak. Zo had Duitsland al een vlucht geboekt op 2 mei 2025. Eisers vrezen voor hun leven en durven niet terug naar Irak. Overdracht aan Duitsland leidt daardoor tot schending van artikel 3 vanPro het EVRM, artikel 4 vanPro het EU Handvest en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. In recente rechtspraak is dit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd. [8] Eisers zijn er niet in geslaagd om te bewijzen dat er systematische problemen zijn in de Duitse asielprocedure of opvang, waardoor toch niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Duitsland heeft via het claimakkoord toegezegd het asielverzoek te behandelen. De relevante EU-richtlijnen [9] zijn van toepassing op de Duitse asielprocedure en mogelijke uitzetting naar Irak. Eisers kunnen bij problemen contact opnemen met de (hogere) autoriteiten in Duitsland. Niet is gebleken dat voor eisers die mogelijkheid niet bestaat. Het betoog van eisers dat Duitsland een ander beschermingsbeleid voert en hen wil uitzetten naar Irak, betekent niet dat de minister niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een verschil in beschermingsbeleid geen reden is om geen overdrachtsbesluit te nemen. [10] De rechtbank mag bij de beoordeling geen rekening houden met zulke verschillen. Wie vreest voor (indirect) refoulement door het beschermingsbeleid in de aangezochte lidstaat, moet dat risico daar zelf melden of aantonen dat dat door systeemfouten niet mogelijk is.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 vanPro de Dublinverordening?
6. Eisers voeren aan dat de minister de aanvragen van eisers op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening in behandeling moet nemen vanwege de psychische problemen van eiseres. Zij heeft in korte tijd twee suïcidepogingen gedaan uit angst voor overdracht naar Duitsland en uitzetting naar Irak. Eisers wijzen in dit verband op het arrest Paposhvili van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit volgt dat een lidstaat voor overdracht moet nagaan of uitzetting een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand kan veroorzaken. [11] Dit is bevestigd door het Hof van Justitie in het C.K.-arrest. [12] De twee suïcidepogingen van eiseres tonen een direct verband met de dreiging van overdracht. Bij concrete suïciderisico’s moeten de autoriteiten een actuele medische beoordeling uitvoeren en nagaan of de ontvangende lidstaat voldoende garanties biedt.
6.1.
Uit het arrest C.K. blijkt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven als de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. De minister hanteert bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. een vaste gedragslijn. [13]
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in lijn met vaste rechtspraak geen toepassing hoeven aan artikel 17 vanPro de Dublinverordening. [14] Bij psychische of lichamelijke problemen moet worden beoordeeld of overdracht leidt tot onmenselijke behandeling. [15]
6.2.1.
In het geval van eiseres is geen situatie zoals bedoeld in het C.K.-arrest vastgesteld. Hoewel uit het BMA-advies van 2 december 2025 blijkt dat eiseres ernstige psychische klachten heeft, onder behandeling staat van een psychiater en psycholoog, medicatie gebruikt en zwanger is, staat dit een overdracht naar Duitsland niet in de weg. Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister aannemen dat Duitsland dezelfde medische zorg en medicatie kan bieden als Nederland. Zo kan eiseres ook daar de benodigde zorg en medicatie krijgen. Het BMA-advies benadrukt verder dat eiseres alleen kan reizen als ze direct na aankomst in Duitsland wordt opgevangen en haar psychische gezondheid dan wordt beoordeeld. Ook is begeleid vervoer aanbevolen, bijvoorbeeld door een psychiatrisch verpleegkundige, en een schriftelijke overdracht van haar medische gegevens, bijvoorbeeld via een Europees Medisch Paspoort. De minister benadrukt op de zitting dat de overdracht pas plaatsvindt als deze directe beoordeling gegarandeerd is. Wat betreft de zwangerschap adviseert het BMA dat vliegen niet veilig is tussen zes weken vóór en zes weken na de uitgerekende datum tussen 26 en 29 mei 2026. Omdat Duitsland dichtbij is, is vervoer per ander vervoermiddel goed mogelijk. Eiseres heeft niet aangetoond dat Nederland het beste land is voor haar behandeling. Als er problemen ontstaan, kan zij contact opnemen met de Duitse autoriteiten. Er is geen bewijs dat die haar niet willen of kunnen helpen.
Had de minister moeten toetsen of een overdracht van eiseres aan Griekenland in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het EU Handvest?
7. Eisers betogen subsidiair dat de minister de aanvragen van eisers in behandeling moet nemen omdat een overdracht aan Griekenland in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het EU Handvest. Hierbij verwijzen eisers naar het arrest M.S.S. van het EHRM, waaruit volgt dat een overdracht of terugkeer naar Griekenland niet mag plaatsvinden als er een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat. [16]
7.1.
De rechtbank komt aan deze beroepsgrond niet toe, zoals ook door gemachtigde is erkend op de zitting. Eisers wijzen op de situatie bij een overdracht aan Griekenland, maar daarvoor is nu geen aanleiding. Alleen als de rechtbank zou besluiten dat overdracht aan Griekenland moet plaatsvinden, zou dat anders zijn. Dat is hier niet aan de orde; eisers moeten, zoals eerder vastgesteld, worden overgedragen aan Duitsland.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers in stand blijft en dat de minister eisers mag overdragen aan Duitsland. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 14 oktober 2025, NL25.41578 en NL25.41580 (niet gepubliceerd).
2.BMA is het Bureau Medische Advisering van de minister.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
5.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (
6.In het geval van eisers zijn artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000 van toepassing.