ECLI:NL:RBDHA:2026:272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
KG ZA 25-1222
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot staken executie strafvonnis in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding waarin [eiser], gedetineerd te PI [plaats], de Staat der Nederlanden heeft aangeklaagd. [eiser] vorderde dat de voorzieningenrechter de executie van een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025 zou staken, waarin de vordering van het openbaar ministerie tot het achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling was toegewezen. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de huidige detentie van [eiser] op rechtmatige wijze is gebaseerd op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025, en er geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat tegen deze beslissing. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het wettelijk stelsel vereist dat een beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, moet worden uitgevoerd. [eiser] heeft aangevoerd dat de rechtbank Rotterdam opzettelijk buiten haar bevoegdheid is getreden, maar de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat zij moet uitgaan van de juistheid van de beslissing van de strafrechter. De vorderingen van [eiser] zijn afgewezen en hij is veroordeeld in de proceskosten van de Staat, die zijn begroot op € 1.999,00.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/695950 / KG ZA 25-1222
Vonnis in kort geding van 9 januari 2026
in de zaak van
[eiser]gedetineerd te PI [plaats],
eiser,
advocaat: mr. R.D.A. van Boom,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. T.J. Crom.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 15 december 2025, met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord;
- de aanvullende producties namens [eiser].
1.2.
De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 23 december 2025. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Van hetgeen aan de orde is gekomen heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is op 17 april 2012 in voorlopige hechtenis genomen op basis van een verdenking in de strafzaak
Tidore. In deze zaak is [eiser] bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2014 (zaaknummer: 10/960007-10) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zeven jaar. Zowel het openbaar ministerie als [eiser] zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.
2.2.
Het gerechtshof Den Haag heeft de voorlopige hechtenis van [eiser] met ingang van 14 april 2016 geschorst.
2.3.
Het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2014 is op 17 juni 2021 onherroepelijk geworden, toen het gerechtshof Den Haag [eiser] en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaarde in hun hoger beroep. [eiser] is op 2 maart 2022 aangehouden op Aruba en op 9 maart 2022 overgebracht naar Nederland om het resterende deel van zijn straf, opgelegd in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2014 in de strafzaak
Tidore,uit te zitten. [eiser] kwam in deze zaak per 18 oktober 2022 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Op diezelfde datum heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser].
2.4.
[eiser] was even daarvoor, op 11 oktober 2022 aangehouden op basis van een verdenking in de strafzaak
Shoreham I.De voorlopige hechtenis in deze strafzaak heeft geduurd van 14 oktober 2022 tot 29 maart 2023.
2.5.
[eiser] is op 30 maart 2023, direct na de opheffing van de voorlopige hechtenis in de strafzaak
Shoreham I, aangehouden op basis van een verdenking in de strafzaak
Shoreham II. [eiser] is vervolgens op 31 maart 2023 voorgeleid aan de rechter-commissaris, die de verdenking heeft getoetst en de voorlopige hechtenis heeft bevolen.
2.6.
[eiser] is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2025 (parketnummer: 71-087092-23) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie jaar in de strafzaak
Shoreham II.[eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.
2.7.
De rechtbank Rotterdam heeft de vordering van het openbaar ministerie tot het achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling in het kader van de vrijheidsstraf die [eiser] is opgelegd in de strafzaak
Tidoretoegewezen bij vonnis van 28 april 2025 (VI-zaaknummer: 99.000913.37)
.Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. [eiser] is ook niet in hoger beroep gedaan.
2.8.
De voorlopige hechtenis van [eiser] in het kader van de strafzaak
Shoreham IIis met ingang van 20 oktober 2025 opgeheven.
2.9.
Thans zit [eiser] de aan hem in de strafzaak
Tidorebij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2014 opgelegde straf uit.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt de executie van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025 (VI-zaaknummer: 99.000913.37) binnen vierentwintig uur na het wijzen van dit vonnis te staken en aan deze veroordeling een dwangsom verbindt van € 1.000 per dag dat de Staat daarmee in gebreke blijft. Daarnaast vordert [eiser] dat de Staat wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De huidige detentie van [eiser] berust op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025 waarin de vordering van het openbaar ministerie tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling is toegewezen. De vi-rechter heeft in weerwil van de wettelijke bepaling van artikel 6:2:12 Sv (oud) een oordeel gegeven over gedragingen waarover hem in het kader van het oordeel over het achterwege laten van de voorlopige invrijheidsstelling geen oordeel toekomt en welke hij dus integraal buiten beschouwing had moeten laten, te weten over gedragingen in de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst was. Daarom moet worden geoordeeld dat de vi-rechter opzettelijk buiten de grenzen van zijn bevoegdheid is getreden, dat de toepassing van artikel 6:2:12 Sv (oud) onbegrijpelijk is en dat de beslissing getuigt van onaanvaardbare willekeur in dit geval ‘
gross or obvious irregularity’. De beslissing van de vi-rechter is derhalve niet ‘toereikend’ en kwalificeert niet als een beslissing zoals bedoeld in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De huidige detentie is dan ook in strijd met artikel 5 EVRM en naar nationaal recht onrechtmatig.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat zijn detentie onrechtmatig is en beoogt via deze procedure te bewerkstelligen dat hij onmiddellijk op vrije voeten wordt gesteld. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven. De Staat heeft dit ook niet betwist.
Gesloten stelsel van rechtsmiddelen
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een beslissing van de strafrechter waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Artikel 6:1:2 Wetboek van Strafvordering bepaalt voorts dat de tenuitvoerlegging van een zodanige beslissing plaatsvindt zodra dit mogelijk is. Het is onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken dat via de weg van een kort geding de juistheid van de beslissing van de strafrechter of de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot de beslissing heeft geleid, tot onderwerp van een nieuwe procedure wordt gemaakt en ter toetsing aan de voorzieningenrechter wordt voorgelegd. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in beginsel moet uitgaan van de juistheid van de beslissing van de strafrechter en van de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die beslissing heeft geleid.
4.3.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling nadrukkelijk een beroep gedaan op artikel 5 EVRM. Ingevolge artikel 5 EVRM mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen anders dan – onder andere en voor zover in deze procedure relevant – als hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. Daarvan is in dit geval sprake. [eiser] is gedetineerd op basis van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025 waarin is geoordeeld dat hij niet voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, in samenhang met het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2014 waarin aan [eiser] een gevangenisstraf is opgelegd van 7 jaar. Dat de wetgever heeft geoordeeld dat hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025 niet mogelijk is, betekent niet dat niet is voldaan aan artikel 5 EVRM.
4.4.
[eiser] heeft aangevoerd dat de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam in 2025 opzettelijk buiten de grenzen van haar bevoegdheid is getreden, dat de toepassing van artikel 6:2:12 Sv (oud) onbegrijpelijk is, dat de beslissing getuigt van onaanvaardbare willekeur in dit geval ‘
gross or obvious irregularity’ en dat de beslissing derhalve niet ‘toereikend’ is en daarom niet kwalificeert als een beslissing zoals bedoeld in artikel 5 EVRM. Kernpunt van het bezwaar van [eiser] is dat de rechtbank Rotterdam bij haar beslissing ten onrechte handelingen van [eiser] heeft meegewogen, verricht gedurende de periode dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst. De bezwaren van [eiser] betreffen daarmee de inhoud van het oordeel van de rechtbank Rotterdam. De voorzieningenrechter heeft onder 4.2. al overwogen dat zij moet uitgaan van de juistheid van de beslissing van de strafrechter en van de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die beslissing heeft geleid. Er is voor haar dan ook geen ruimte om de inhoudelijke bezwaren van [eiser] tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025, op basis waarvan [eiser] meent dat dit vonnis niet toereikend is, te beoordelen. De voorzieningenrechter verleent geen aanvullende rechtsbescherming indien in een rechtsgang bij een andere rechter, al dan niet vermeend, fouten zijn gemaakt of onjuiste beslissingen zijn gegeven, ook niet als daardoor de rechtsbescherming in het concrete geval is tekortgeschoten. In dat geval zou immers sprake zijn van een verkapt hoger beroep, wat in strijd is met de wettelijke rechtsmachtverdeling en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
4.5.
Op het uitgangspunt van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan slechts een uitzondering worden aanvaardt in het geval dat een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Europees Hof), waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, noopt tot de slotsom dat die beslissing is tot stand gekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van art. 6 lid 1 eerste zin EVRM. Wanneer zich een dergelijk uitzonderingsgeval voordoet, kan onverkorte tenuitvoerlegging van de beslissing niet meer als krachtens het wettelijk stelsel toegelaten worden beschouwd en zal de veroordeelde zich kunnen wenden tot de voorzieningenrechter met een vordering strekkende tot het verbieden, onderbreken of beperken van de executie. De aard van de kort geding procedure en de terughoudendheid die de voorzieningenrechter in acht behoort te nemen bij het beoordelen van de wijze waarop een onherroepelijke beslissing van de strafrechter tot stand is gekomen, brengen dan echter mee dat voor toewijzing van een vordering als voormeld slechts plaats is wanneer het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de uitspraak van het Europees Hof inderdaad dwingt tot voormelde slotsom.
4.6.
Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 6 EVRM, zoals hiervoor uiteengezet.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eiser] onder verwijzing naar de civiele kamer van de Hoge Raad aan de orde gesteld dat ook binnen het strafrecht ruimte zou moeten komen voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Indien de advocaat van [eiser] dit wil bewerkstelligen, zal hij zich moeten wenden tot hogere instanties binnen de strafrechtkolom. De voorzieningenrechter is niet bevoegd hierover uitspraken te doen.
Slotsom en proceskosten
4.8.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de voorzieningenrechter moet uitgaan van de juistheid van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025 en van de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die uitspraak heeft geleid. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
NHS