ECLI:NL:RBDHA:2026:2660

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/09/685027 / FA RK 25-3505
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377e lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging omgangsregeling tussen vader en minderjarige kinderen

Partijen zijn ouders van drie minderjarige kinderen en hadden een omgangsregeling waarbij de vader het recht had om de kinderen in het weekend en een deel van de herfstvakantie te zien. De moeder verzocht de rechtbank om deze regeling te wijzigen zodat er geen omgang meer zou zijn, omdat de vader de omgang al geruime tijd niet nakomt en er geen contact meer is tussen vader en kinderen.

De vader voerde geen verweer en gaf aan het belangrijk te vinden dat er rust is voor de kinderen. De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige 1] gehoord, die aangaf het niet prettig te vinden om contact met haar vader te hebben. Gezien het langdurige gebrek aan contact en het ontbreken van communicatie tussen de ouders, oordeelde de rechtbank dat het voortduren van de omgangsregeling niet in het belang van de kinderen is.

De rechtbank wijzigde daarom de eerdere beschikking en stelde vast dat er geen omgangsregeling meer geldt tussen de vader en de kinderen. De rechtbank gaf de vader in overweging een brief aan de kinderen te schrijven om het contact op een positieve wijze af te sluiten, maar verplichtte hem hiertoe niet. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen wegens het langdurig ontbreken van contact en het belang van rust voor de kinderen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3505
Zaaknummer: C/09/685027
Datum beschikking: 13 januari 2026

Omgang

Beschikking op het op 9 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal te Leiden, inmiddels mr. L. Rijsdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. De minderjarige [minderjarige 2] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik van gemaakt.
Op 16 december 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Kamphuis-Jansen van Rosendaal;
  • de vader;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats].
  • De moeder heeft de Poolse nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit. De kinderen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van 25 januari 2023 van het gerechtshof te Den Haag is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat:
- de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast is;
- de kinderen bij de vader zullen zijn:
- om het weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- de helft van de herfstvakantie, aansluitend op zijn omgangsweekend.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de omgangsregeling zoals vastgesteld in bovengenoemde beschikking te wijzigen in die zin dat er geen omgang tussen de vader en de kinderen is.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na het wijzen van de beschikking zijn gewijzigd.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:377e lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.
Standpunt moeder
De moeder verzoekt de omgangsregeling te wijzigen in die zin dat er geen omgang is tussen de vader en de kinderen. Sinds het uiteengaan van partijen is de vader de omgangsregeling steeds beperkter gaan nakomen. De moeder heeft in het verleden diverse procedures gevoerd om de vader tot nakoming van de omgangsregeling te bewegen, maar dit heeft niet mogen baten. Bij beschikking van 25 januari 2023 is de moeder belast met het eenhoofdig gezag en is een beperkte omgangsregeling vastgelegd. De moeder heeft in die procedure geen beëindiging van de omgang verzocht, omdat zij de mogelijkheid tot omgang tussen de vader en de kinderen open wilde houden. De vader heeft sindsdien echter geen contact meer opgenomen met de kinderen. Ook tussen partijen is geen contact geweest. De moeder acht het voor alle duidelijkheid en voor rust in de situatie van de kinderen in hun belang dat de omgangsregeling nu wordt beëindigd.
Standpunt vader
De vader heeft op de zitting verteld dat hij geen contact meer met de kinderen heeft gezocht, omdat hij hen niet wilde belasten met de strijd en de spanning tussen de ouders. Hij heeft aangegeven dat het hem aan het hart gaat, maar heeft tegelijkertijd aangegeven geen verweer te voeren tegen het verzoek van de moeder. Daarbij heeft hij benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat er rust is voor de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat er al jaren geen contact is tussen de vader en de kinderen. Er is ook geen aanleiding om te verwachten dat hier op korte termijn verandering in zal komen. [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter bevestigd dat zij het niet fijn zou vinden als er wel contact is met haar vader. Er is ook geen enkel contact tussen de ouders. Onder deze omstandigheden is het voortduren van de omgangsregeling niet in het belang van de kinderen. De rechtbank vindt het daarom van belang om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, zodat er voor alle betrokkenen duidelijkheid is. Gelet op het voorgaande en mede gelet op het feit dat de vader geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen.
De Raad heeft op de zitting de suggestie gedaan dat de vader een brief schrijft aan de kinderen waarin hij aangeeft dat het anders is gelopen dan hij had gewild, maar dat hij van hen houdt en dat zijn deur altijd voor hen openstaat. Zo’n brief kan de kinderen eventueel helpen om het gebrek aan contact met de vader voor zichzelf af te sluiten. Mogelijk kan iemand uit het netwerk van de vader of een professional, zoals een praktijkondersteuner van de huisarts, de vader hierbij begeleiden. De rechtbank kan de vader niet verplichten om een brief naar de kinderen te versturen, maar geeft hem wel in overweging dat te doen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van het gerechtshof te Den Haag van 25 januari 2023 –:
bepaalt dat tussen de vader en de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats];
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats];
geen omgangsregeling geldt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 januari 2026.