ECLI:NL:RBDHA:2026:2648

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/09/673366 / FA RK 24-7058
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige omgangsregeling en aanhouding gezagsverzoek in complexe familierechtzaak

Partijen zijn ouders van een minderjarige die bij de moeder woont. De vader verzoekt om gezamenlijk gezag en een uitgebreide omgangsregeling, terwijl de moeder verweer voert vanwege ernstige zorgen over stalkingsgedrag van de oma vaderszijde en vermoedelijk drugsgebruik van de vader.

De rechtbank constateert dat de vader betrokken is bij het kind en dat gezamenlijk gezag niet zonder meer kan worden afgewezen, maar erkent het gebrek aan vertrouwen en de moeizame communicatie tussen ouders. De moeder heeft aangifte gedaan van stalkingsgedrag en er zijn strafrechtelijke procedures tegen de oma vaderszijde, die een contactverbod heeft overtreden.

De rechtbank wijst een voorlopige omgangsregeling toe waarbij het kind wekelijks op woensdagmiddag en om de twee weken op zondag bij de vader verblijft, zonder overnachting zolang de vader bij zijn ouders woont. De ouders worden verwezen naar een ouderschapsbemiddelingstraject om communicatie en vertrouwen te verbeteren.

Het verzoek tot gezamenlijk gezag en een definitieve zorgregeling wordt aangehouden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject en mogelijke raadsonderzoek. De Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken indien het traject niet tot een positief resultaat leidt.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de rechtbank plant een pro forma zitting op 15 juli 2026 voor verdere besluitvorming.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast en houdt het verzoek tot gezamenlijk gezag en definitieve zorgregeling aan, met verwijzing naar een hulpverleningstraject en mogelijke raadsonderzoek.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7058
Zaaknummer: C/09/673366
Datum beschikking: 13 januari 2026

Gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 15 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. da Silva te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.H. Remmelink te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van de moeder van 9 december 2025, met bijlage, tevens aanvullend zelfstandig verzoek;
  • het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de moeder.
Op 16 december 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
  • De vader heeft [minderjarige] erkend.
  • [minderjarige] woont bij de moeder.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 8 mei 2025 is het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 11 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] bij de vader is:
- op woensdag 20 augustus, 27 augustus, 3 september en 10 september 2025 van 14.00 uur tot 17.00 uur, op een door de moeder te bepalen neutrale plek en onder begeleiding van een derde die de moeder aanwijst, dan wel onbegeleid als de moeder geen derde aanwijst, in afwezigheid van de familie, de partner of vrienden van de vader;
- vanaf 17 september 2025 wekelijks op woensdag en om het weekend op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur (onbegeleid), waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en bij de moeder terugbrengt.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader strekt ertoe:
  • te bepalen dat de vader gezamenlijk met de moeder wordt belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige];
  • een regeling inzake de omgang tussen de vader en [minderjarige] c.q. een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen in die zin dat:
- [minderjarige] de ene week van woensdag 17.00 uur (of op schooldagen uit school) tot zondag 17.00 uur en de andere week van woensdag 17.00 uur (of op schooldagen uit school) tot zaterdag 17.00 uur bij de vader verblijft;
althans een andere regeling inzake de omgang tussen de vader en [minderjarige] c.q. een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht;
- de zorg over [minderjarige] in de vakantie bij helfte te delen tussen de vader en de moeder;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt, na aanvulling:
  • dat het verzoek van de vader om mede met het ouderlijk gezag te worden belast zal worden afgewezen, dan wel aan hem zal worden ontzegd;
  • ter zake van de omgangs-/zorgregeling:
- primair een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming naar een regeling welke recht doet aan de belangen van de minderjarige;
- subsidiair een omgangs-/zorgregeling vast te stellen, in die dat de minderjarige wekelijks op woensdag en om de week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader zorg dient te dragen voor het halen en het brengen, waarbij hij alsdan clean is en geen contact tussen [minderjarige] en oma vaderszijde zal plaatsvinden;
- meer subsidiair een omgangs-/zorgregeling te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;
- dat het verzoek tot het vaststellen van een vakantieregeling wordt afgewezen, dan wel aan de vader wordt ontzegd;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vader heeft verzocht om hem mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten en om een zorg-/omgangsregeling vast te stellen. De vader is altijd betrokken geweest bij de te nemen beslissingen over [minderjarige] en [minderjarige] is aan zijn vader gehecht. Er is geen risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken en er is ook geen ander belang dat afwijzing van gezamenlijk gezag zou rechtvaardigen. De stukken van de moeder laten juist zien dat schriftelijke communicatie mogelijk is en dat tot zeer recent afspraken over de omgang gemaakt konden worden. De vader staat er bovendien nadrukkelijk voor open om – desnoods met ondersteuning van derden – verdere afspraken te maken. Verder wenst de vader dat een meer uitgebreide omgangsregeling wordt vastgesteld dan die nu is vastgelegd bij voorlopige voorzieningen. Die regeling is in de praktijk bovendien lastig te combineren met zijn werk.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader. Zij stelt dat het tussen de ouders ontbreekt aan goede communicatie, waardoor de verwachting is dat [minderjarige] klem en/of verloren zal raken bij toewijzing van het gezamenlijk gezag. De affectieve relatie tussen de ouders is verbroken door zeer ernstig stalkingsgedrag van de oma vaderszijde. De moeder heeft te maken gehad met dreigende brieven, doodsbedreigingen en brandstichting en heeft hiervan aangifte gedaan. In oktober 2025 is wederom sprake geweest van stalkingsgedrag. Zowel de oma vaderszijde als de vader zijn hiervoor aangehouden. De oma vaderszijde heeft in voorlopige hechtenis gezeten. De voorlopige hechtenis is geschorst met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de moeder. De oma vaderszijde heeft zich hier niet aan gehouden. Aangezien de vader bij zijn ouders woont, zal de door hem verzochte omgangsregeling in het huis van de oma vaderszijde plaatsvinden. Dat vindt de moeder niet in het belang van [minderjarige]. Gelet op de nieuwe strafbare feiten heeft de moeder de vader verzocht om de voorlopige omgangsregeling tijdelijk elders te laten plaatsvinden. Aanvankelijk ging de vader daarmee akkoord, maar kort hierna heeft hij dit standpunt gewijzigd. Daarom heeft de moeder besloten de omgang geen doorgang te laten vinden tot de zitting van 16 december 2025. De standpunten van partijen over het belang van [minderjarige] staan dus lijnrecht tegenover elkaar. De moeder heeft daarnaast ook zorgen over het drugsgebruik van de vader. Zij krijgt foto’s toegestuurd waarop sprake lijkt te zijn van drugsgebruik door de vader. Door deze situatie is bij de moeder een gebrek aan vertrouwen ontstaan, niet alleen in de oma vaderszijde, maar ook in de vader zelf. Dat gebrek aan vertrouwen staat wat de moeder betreft in de weg aan het gezamenlijk gezag en, in ieder geval zolang de vader bij zijn ouders woont, aan een omgangsregeling waarbij [minderjarige] bij de vader overnacht. Gelet op het voorgaande verzoekt de moeder primair om een raadsonderzoek te gelasten en subsidiair de omgangsregeling zoals bij voorlopige voorzieningen is bepaald vast te stellen. Zij stelt daarbij de voorwaarde dat de vader geen drugs gebruikt gedurende de omgangsmomenten en dat er geen contact plaatsvindt tussen [minderjarige] en de oma vaderszijde.
Volgens de vader baseert de moeder haar bezwaren tegen het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling voor een belangrijk deel op de strafrechtelijke problematiek rondom zijn moeder. Hij heeft zich destijds echter gedistantieerd van het stalkingsgedrag van zijn moeder en zij heeft momenteel een contactverbod met de moeder. De vader begrijpt dat de moeder spanningen ervaart door de strafzaak tegen de oma vaderszijde, maar deze spanningen zijn geen gevolg van de contacten tussen [minderjarige] en de vader en rechtvaardigen niet dat de bestaande omgang opnieuw wordt stopgezet of beperkt. Daarbij is volgens de vader van belang om op te merken dat gedurende de periode waarin mogelijk opnieuw strafbare feiten zijn gepleegd door oma vaderszijde richting de moeder de omgang tussen de vader en [minderjarige] probleemloos is verlopen. Verder betwist hij dat enkel een raadsonderzoek uitkomst kan bieden. De feiten zijn voor een belangrijk deel al in kaart gebracht, onder meer in het kader van de voorlopige voorzieningen, waarin de situatie al beoordeeld is, inclusief de zorgen over het (toenmalige) drugsgebruik van de vader. De rechtbank heeft toen juist bepaald dat het contact moest worden opgebouwd. De vader betwist ook dat hij momenteel drugs gebruikt en heeft erop gewezen dat hij op verzoek van zijn vader regelmatig drugstesten doet. De vader is bereid actuele behandelgegevens en testuitslagen aan de moeder te geven.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een ingewikkelde situatie. Er is nog veel onduidelijk rondom de strafzaak tegen de oma vaderszijde. Daarnaast is nog onduidelijk of de vader ook vervolgd wordt vanwege strafbare feiten jegens de moeder. Het is wel duidelijk dat de moeder op dit moment geen vertrouwen in de vader heeft. De communicatie tussen de ouders verloopt hierdoor moeizaam. Hierdoor kan de rechtbank op dit moment niet beoordelen of gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] is. Op de zitting is besproken dat de rechtbank het wenselijk vindt dat de ouders het gesprek met elkaar aangaan, zodat hun onderlinge communicatie en onderlinge vertrouwen vergroot kan worden. De ouders hebben aangegeven in te stemmen met een verwijzing naar ouderschapsbemiddeling om daaraan te werken. De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten, maar zal wel een lus opnemen naar de Raad, zodat deze de noodzaak van een onderzoek alsnog zal bezien als het hulpverleningstraject onvoldoende resultaat oplevert.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Welke gezagssituatie is het meest in het belang van [minderjarige]?
Welke zorg-/omgangsregeling is het meest in het belang van [minderjarige]?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
In afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot het gezag en de definitieve zorg-/omgangsregeling aanhouden.
Voorlopige omgangsregeling
De moeder heeft haar weerstand met betrekking tot het contact tussen de vader en [minderjarige], in aanwezigheid van de oma vaderszijde duidelijk geuit. Tegelijkertijd heeft zij bevestigd dat het contact dat er is geweest goed is verlopen en dat [minderjarige] daarvan heeft genoten. De rechtbank is daarom van oordeel dat het van belang is dat er contact blijft bestaan tussen de vader en [minderjarige] en zal een voorlopige omgangsregeling vaststellen.
Wat de moeder betreft zijn er twee aspecten die op dit moment in de weg staan aan het contact tussen de vader en [minderjarige]. Enerzijds ziet dat op het stalken van de moeder door de oma vaderszijde en anderzijds ziet dat op het gebrek aan vertrouwen van de moeder in de vader, onder andere omdat zij het idee heeft dat de vader opnieuw of nog steeds drugs gebruikt. Met betrekking tot dat laatste punt hebben de ouders op de zitting afgesproken dat de vader in ieder geval voorlopig foto’s van zijn testuitslagen aan de moeder zal sturen. Ook zullen de ouders in het kader van de hulpverlening werken aan het herstellen van het onderlinge vertrouwen. Bij het vaststellen van een omgangsregeling hanteert de rechtbank verder als uitgangspunt dat [minderjarige] niet bij de vader kan overnachten, zolang de vader nog bij zijn ouders woont. Dat betekent dat de rechtbank de voorlopige omgangsregeling zal vaststellen zoals deze bij voorlopige voorzieningen is bepaald, met dien verstande dat afwijkende tijden voor de woensdag worden vastgesteld. [minderjarige] zal iedere woensdag van 16.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijven, waarbij hij bij of met de vader eet. Daarnaast zal [minderjarige] eens in de twee weken op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij of met de vader zijn.
De rechtbank realiseert zich dat, zolang de vader bij zijn ouders woont, [minderjarige] in contact kan komen met de oma vaderszijde. De rechtbank vertrouwt er echter op dat enig contact tussen [minderjarige] en zijn oma vaderszijde slechts in aanwezigheid van de vader zal plaatsvinden, waarbij de vader het welzijn van [minderjarige] in het oog houdt. De vader heeft bovendien aangegeven dat hij in juni 2026 verwacht een eigen woning te hebben. Daarna zou de aanwezigheid van oma vaderszijde geen automatische bijkomstigheid van het contact tussen vader en [minderjarige] meer hoeven zijn.
De rechtbank zal een definitieve beslissing over de zorg-/omgangsregeling aanhouden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject en de ontwikkelingen in de woonsituatie van de vader. Het staat de ouders in de tussentijd vrij om in het ouderschapsbemiddelingstraject andere afspraken te maken over de (voorlopige) omgangsregeling.

Beslissing

De rechtbank:
stelt een
voorlopigeomgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast, inhoudende dat [minderjarige] bij de vader is:
  • iedere woensdag van 16.00 uur tot 19.00 uur;
  • om het weekend op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en bij de moeder terugbrengt;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader],
wonende te [geboorteplaats], [adres 1] ([postcode 1]),
en
[de moeder],
wonende te [geboorteplaats], [adres 2] ([postcode 2]);
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag en de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstakenaan tot
15 juli 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 januari 2026.