ECLI:NL:RBDHA:2026:2637

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4447
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende vreemdeling, is op 23 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van een terugkeerbesluit van 11 april 2024. Hij stelde dat het terugkeerbesluit ontbrak en dat hij geen informatiefolder in een voor hem begrijpelijke taal had ontvangen, wat de rechtbank verwerpt omdat beide documenten in het dossier aanwezig zijn.

Eiser klaagde over het ontbreken van tijdige consulaire bijstand, wat de rechtbank erkent als een gebrek, maar oordeelt dat dit gebrek niet onrechtmatig is omdat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitvalt. Bovendien is eiser alsnog in de gelegenheid gesteld contact op te nemen met de Tunesische autoriteiten, maar heeft hij daarvan afgezien.

De rechtbank stelt vast dat de zware gronden voor bewaring, zoals het risico op ontduiking van toezicht en het ontwijken van uitzetting, niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd. Ook is het voortvarend handelen van de minister vastgesteld, met vertrekgesprekken en een tijdige aanvraag van een laissez-passer.

De ambtshalve toetsing leidt niet tot opheffing van de maatregel. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser wegens het geconstateerde gebrek aan tijdige consulaire bijstand.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met veroordeling van de minister in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4447

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 30 januari 2026 heeft hij de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 3 februari 2026 hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 12 februari 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1983 en de Tunesische nationaliteit te hebben.
Terugkeerbesluit en informatiefolder
2. Eiser voert aan dat een terugkeerbesluit een voorwaarde is voor de huidige maatregel van bewaring. Nu een terugkeerbesluit ontbreekt in het dossier, is niet aan deze voorwaarde voldaan en is de maatregel van bewaring onrechtmatig. Verder is ook niet gebleken dat aan eiser een informatiefolder is uitgereikt in een taal die hij voldoende machtig is.
3. De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit van 11 april 2024 ten grondslag is gelegd aan de maatregel van bewaring en dit terugkeerbesluit zich in het dossier bevindt. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit de maatregel van bewaring blijkt dat aan eiser een informatiefolder ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ is uitgereikt in de Arabische taal, welke eiser voldoende machtig is. Deze informatiefolder bevindt zich eveneens in het dossier. Daarmee heeft verweerder voldaan aan zijn informatieplicht.
Consulaire bijstand
4. Eiser voert verder aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om contact op te nemen met de Tunesische autoriteiten terwijl hij daar wel om heeft gevraagd.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet tijdig in de gelegenheid is gesteld om contact op te nemen met de Tunesische autoriteiten. Er is dan ook gelet hierop sprake van een gebrek. Een dergelijk gebrek maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen en de conclusie dat er voldoende gronden aanwezig zijn om de maatregel van bewaring te kunnend dragen. Daarnaast acht de rechtbank hierbij van belang dat eiser alsnog in de gelegenheid is gesteld om contact op te nemen met de Tunesische autoriteiten, maar heeft hij hiervan afgezien. [2]
Maatregel van bewaring
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
  • 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Deze zware gronden kunnen de maatregel zelfstandig dragen.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
8. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft namelijk sinds de oplegging van de maatregel van bewaring geen uitzettingshandelingen verricht. Het is verder een feit van algemene bekendheid dat het aanvragen van een LP [5] voor Tunesië lang kan duren, zodat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië ontbreekt, aldus eiser.
9. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 26 januari 2026 en 3 februari 2026 vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser. Verder is op 27 januari 2026 een LP-aanvraag ingediend. Er zijn ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Tunesië in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Voor eiser is inmiddels een LP aangevraagd en is op 29 januari 2026 een rappel verstuurd.
Ambtshalve toets
10. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Als gevolg van het eerder, onder rechtsoverweging 5, geconstateerde gebrek ziet de rechtbank in het licht van artikel 6:22 van Pro de Awb [6] wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [7] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af; en
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,- (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verslag vertrekgesprek van 3 februari 2026.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Laissez-passer.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Besluit proceskosten bestuursrecht.