ECLI:NL:RBDHA:2026:2622

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL26.121 en NL26.2091
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 lid 3 Opvangrichtlijn 2013/33/EUArt. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 2 Opvangrichtlijn 2013/33/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid voortduren vreemdelingenbewaring tijdens asielprocedure bevestigd

Eiser is in vreemdelingenbewaring geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft dit beroep behandeld en beoordeeld of de bewaring rechtmatig voortduurt gedurende de asielprocedure, inclusief de periode waarin rechtsmiddelen nog mogelijk zijn.

De rechtbank overweegt dat artikel 6, derde lid, van de Vw en artikel 8, derde lid, onder c, van de Opvangrichtlijn het toestaan om vreemdelingen in bewaring te houden zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen op hun asielverzoek. Dit omvat ook de periode waarin rechtsmiddelen tegen het asielbesluit nog openstaan. Hoewel de maatregel niet expliciet vermeldt dat deze ook ziet op de beroepsprocedure, volgt uit jurisprudentie dat dit wel het geval is.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig voortduurt en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een tweede beroep, voortkomend uit een kennisgeving van verweerder, wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang ontbreekt. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de maatregel is rechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.121 en NL26.2091

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft op 2 januari 2026 tegen het voortduren van zijn bewaring beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer NL26.121.
Verweerder heeft op 13 januari 2026 de rechtbank in kennis gesteld dat eiser al enige tijd in vreemdelingenbewaring zit zonder dat daartegen beroep is ingesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een beroep en is geregistreerd onder het zaaknummer NL26.2091.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.E. Hynd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. De gemachtigde van eiser voert – kort samengevat – aan dat artikel 8, derde lid, onder c, van de Opvangrichtlijn [1] in principe als grondslag kan worden gebruikt voor de grensprocedure. Alleen moet dit wel duidelijk in de maatregel worden opgenomen. Nu volgt uit de maatregel alleen dat de maatregel is opgelegd met het oog op de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure. Uit de maatregel volgt niet dat de maatregel ook ziet op de periode nadat de asielaanvraag is behandeld en er nog rechtsmiddelen mogelijk zijn. Dit maakt dat de bewaring in de periode dat er rechtsmiddelen lopen niet op artikel 6, derde lid, van de Vw kan worden gebaseerd.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn staat het toe om een vreemdeling in bewaring te houden om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Een vreemdeling mag in grensdetentie worden gehouden op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen op zijn of haar asielverzoek. Tot die tijd is een vreemdeling verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn en artikel 2, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn. Gelet op artikel 2, aanhef en onder e, van de Procedurerichtlijn is een “definitieve beslissing” een beslissing waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V. Dit betekent dat een vreemdeling verzoeker is zolang de rechtbank nog geen uitspraak heeft gedaan op een beroep tegen het asielbesluit. [2] 5.1. Gelet op het voorgaande is artikel 6, derde lid, van de Vw, en daarmee artikel 8, derde lid, onder c, van de Opvangrichtlijn, daarom thans de wettelijke grondslag voor bewaring van asielzoekers die in de grensprocedure in afwachting zijn van een besluit op hun asielaanvraag, alsmede voor asielzoekers die rechtsmiddelen hebben ingesteld of dat nog kunnen instellen, en nog geen uitspraak van de rechtbank hebben ontvangen. Hoewel in de maatregel niet expliciet is opgenomen dat de maatregel ook ziet op de beroepsprocedure, is de rechtbank van oordeel dat uit de jurisprudentie van de Afdeling voldoende duidelijk blijkt dat de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan worden opgelegd gedurende de gehele asielprocedure aan de grens, tot het moment dat door de rechtbank uitspraak is gedaan op het asielberoep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Op pagina twee van de maatregel staat ook duidelijk aangegeven dat deze op artikel 6, derde lid, van de Vw is gebaseerd.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [3] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 2 januari 2026 beroep tegen het voortduren van de bewaring heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL26.121 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL26.2091 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.121 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.2091 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.
2.Zie bijvoorbeeld ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, r.o. 3.2.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.