In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd op 8 januari 2026, wordt een beroep behandeld van eisers die stellen dat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft in een eerdere procedure de minister opgedragen om binnen acht weken een beslissing te nemen. Deze termijn is verstreken zonder dat er een besluit is genomen, wat aanleiding geeft voor het huidige beroep.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Ondanks dat het dossier mogelijk nog niet compleet is, heeft de rechtbank besloten dat de minister binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak een beslissing moet nemen. Dit is een verkorte termijn gezien het tijdsverloop sinds de eerdere uitspraak.
Daarnaast hebben eisers verzocht om een dwangsom op te leggen aan de minister voor elke dag dat hij de beslistermijn overschrijdt. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en bepaald dat de minister € 100,- per dag moet betalen, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister de proceskosten van eisers moet vergoeden, vastgesteld op € 467,-.
De uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, in aanwezigheid van griffier K.D.M. Nijholt, en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De eisers hebben de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.