Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2605

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/698929 / KG RK 26-204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 1:2 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken procespartij in bestuursrechtelijke hoofdzaak

De meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag heeft op 11 februari 2026 het wrakingsverzoek van verzoeker behandeld. Verzoeker wilde de rechter wraken die betrokken is bij de hoofdzaak (nummer SGR 25/5412), omdat hij meent onterecht niet als belanghebbende te zijn aangemerkt en daardoor geen toegang tot het procesdossier en de procedure te hebben gekregen.

Verzoeker stelt dat de rechter nagelaten heeft ambtshalve te toetsen of het besluit van de Belastingdienst tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van zijn fiscale partner rechtmatig was. Hierdoor zou sprake zijn van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter.

De wrakingskamer oordeelt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend door een procespartij, zoals bepaald in artikel 8:15 Awb Pro. Omdat verzoeker in de hoofdzaak niet als belanghebbende is aangemerkt, is hij geen procespartij en dus niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling van het verzoek is niet nodig. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker geen procespartij is in de hoofdzaak.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/06
zaak- /rekestnummer: C/09/698929 / KG RK 26-204
Beslissing van 11 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. D.M. Drok,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het schriftelijke wrakingsverzoek is gedaan op 4 februari 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 25/5412 (hierna: de hoofdzaak).
2.2.
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Hij is in de hoofdzaak niet als belanghebbende aangemerkt, hoewel hij daar uitdrukkelijk om heeft verzocht. De rechter heeft nagelaten ambtshalve te toetsen of het besluit tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van zijn fiscale partner wegens het ontbreken van procesbelang door de Belastingdienst rechtmatig was en of verzoeker ten onrechte buiten de procedure is gelaten wegens het ontbreken van de status van belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is hierdoor feitelijk uitgesloten van deelname aan de procedure in de hoofdzaak tegen het hiervoor vermelde besluit van de Belastingdienst, welk besluit hem rechtstreeks raakt. Ook is hem de toegang tot het procesdossier onthouden en is hem de mogelijkheid ontnomen zijn standpunt mondeling of schriftelijk toe te lichten. Dit leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Artikel 8:15 Awb Pro beperkt de groep van personen die een verzoek tot wraking van een rechter kunnen indienen tot een procespartij. Verzoeker is in de hoofdzaak niet als belanghebbende partij aangemerkt en is daardoor geen procespartij in de zin van artikel 8:15 Awb Pro. Hij kan daarom geen verzoek tot wraking indienen. Dit brengt mee dat verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn wrakingsverzoek.
3.3.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Awb wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de eiseres in de hoofdzaak, [eiseres in de hoofdzaak] ;
• de verweerder in de hoofdzaak, de inspecteur van de Belastingdienst;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.