ECLI:NL:RBDHA:2026:2598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
09/312428-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 255 SrArt. 257 lid 2 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijk nalaten verzorging pasgeborene met dodelijke afloop

De rechtbank Den Haag heeft op 12 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een jonge vrouw die haar pasgeboren kind opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht en heeft nagelaten tijdig medische hulp, verzorging en voeding te verlenen, waardoor het kind is overleden.

De bevalling vond plaats in een koude schuur zonder dat de verdachte iemand op de hoogte stelde of voorbereidingen trof. Het kind ademde zelfstandig maar kreeg geen voeding of bescherming tegen de kou. Forensisch onderzoek kon geen exacte doodsoorzaak vaststellen, maar concludeerde dat zonder adequate verzorging de overlevingskans nihil is. De rechtbank stelde vast dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat haar nalaten tot de dood van haar kind zou leiden.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte door bedreiging geen hulp inschakelde en dat zij na de bevalling bewusteloos raakte, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en haar jonge leeftijd en legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens opzettelijk nalaten van verzorging van haar pasgeboren kind met dodelijke afloop.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/312428-24
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.P. Stipdonk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks [datum] 2024 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk haar (pasgeboren) kind ( [pasgeboren kind] ), tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft zij, verdachte, toen haar (pasgeboren) kind hulp en/of (medische) verzorging en/of voeding behoefde, opzettelijk nagelaten die hulp en/of (medische) verzorging te verlenen en/of die voeding te geven en/of nagelaten tijdig - adequate - (medische) hulp in te roepen, terwijl dit feit/deze feiten de dood van dat (pasgeboren) kind ten gevolge heeft/hebben gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks [datum] 2024 te [plaats] , althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig haar pasgeboren kind ( [pasgeboren kind] ) de nodige (medische) verzorging en/of voeding heeft onthouden en/of (vervolgens) aan onderkoeling heeft blootgesteld en/of (daarbij) haar kind in een emmer (onder de placenta) heeft gelegd, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat haar kind ( [pasgeboren kind] ) is overleden.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit omdat niet is komen vast te staan wat de doodsoorzaak van [pasgeboren kind] was. Omdat niet kan worden uitgesloten dat de pasgeborene spontaan is komen te overlijden, kan de verdachte geen verwijt worden gemaakt.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in
bijlage Ivan dit vonnis opgenomen.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Inleiding
Aanleiding voor deze zaak is het overlijden van de dochter van de verdachte, [pasgeboren kind] geheten. [pasgeboren kind] is op [datum] 2024 geboren en kort daarna op diezelfde dag komen te overlijden. De verdachte, de moeder van [pasgeboren kind] , is ’s ochtends vroeg door haar vriend en moeder in en bij de openstaande schuur in de tuin van het huis van haar moeder gevonden. Het ging niet goed met de verdachte. Zij is door een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en had bij aankomst in het ziekenhuis een veel te lage lichaamstemperatuur en bloedarmoede, waarvoor zij een bloedtransfusie kreeg. Naast de verdachte stond in de schuur een emmer. Het ambulancepersoneel vermoedde dat daarin een placenta zat. In het ziekenhuis is vastgesteld dat zich onder de placenta een voldragen en overleden baby bevond.
De rechtbank zal hierna beoordelen of het eerste verwijt dat de officier van justitie de verdachte maakt, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het gaat hier om de beoordeling of de verdachte opzettelijk een pasgeborene, haar baby [pasgeboren kind] , in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten omdat zij heeft nagelaten tijdig (medische) hulp in te roepen, (medische) verzorging te verlenen en voeding te geven, toen haar baby die hulp, verzorging en voeding nodig had, waardoor de pasgeborene is overleden.
De rechtbank komt (zie hierna onder 3.5) tot een bewezenverklaring van dit feit. Zij gaat eerst in op de vraag of de verdachte een pasgeborene in hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of sprake is van een oorzakelijk verband tussen het in hulpeloze toestand brengen en laten van de pasgeborene en haar overlijden en ten slotte of sprake is van opzettelijk handelen. Daarna gaat de rechtbank in op de door de verdediging gevoerde verweren en besluit zij met een conclusie.
3.4.2.
In hulpeloze toestand brengen en laten van een pasgeborene
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de nacht van [datum] 2024 is bevallen van haar volgroeide baby. De bevalling vond plaats in de (geopende) schuur in de achtertuin van de verdachte, waar het die nacht ongeveer 9 graden Celsius was. De verdachte heeft voorafgaand aan, tijdens en kort daarna niemand op de hoogte gesteld van de bevalling. Na haar geboorte ademde [pasgeboren kind] zelfstandig. Zij is dus levend ter wereld gekomen. Er waren geen aanwijzingen van voeding in haar maag en darmen. Hieruit volgt dat zij niet gevoed is. Dat heeft de verdachte ook verklaard. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat zij [pasgeboren kind] na haar geboorte niet tegen de lage omgevingstemperatuur heeft beschermd. [pasgeboren kind] is in de nacht van [datum] 2024 overleden.
Eerder in het jaar, op 23 januari 2024, maakte de verdachte zich zorgen over een mogelijke zwangerschap. Zij wisselde daarover berichten met getuige [getuige] , de vermoedelijk biologische vader van [pasgeboren kind] . De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat zij op de hoogte was van haar zwangerschap en dat zij destijds verwachtte dat zij ongeveer in oktober zou gaan bevallen. Tussen 1 januari en [datum] 2024 heeft de verdachte geen contact gehad met haar behandelend(e) huisarts(en). Gedurende de zwangerschap en in aanloop naar de bevalling heeft de verdachte geen hulp gezocht, geen arts geconsulteerd en geen echo laten maken. Ook heeft de verdachte verklaard dat zij geen voorbereidingen heeft getroffen met het oog op de bevalling of de verzorging van [pasgeboren kind] (kort) daarna.
Naar algemene ervaringsregels levert het niet verlenen van (medische) verzorging, voeding of het tijdig – adequate – (medische) hulp inroepen bij een pasgeborene een aanmerkelijke kans op dat de pasgeborene hiermee in een hulpeloze toestand wordt gebracht en gelaten.
De rechtbank oordeelt dat die situatie zich ook in dit geval heeft voorgedaan.
3.4.3.
Oorzakelijk verband tussen het in hulpeloze toestand brengen en laten en overlijden
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de hulpeloze toestand de dood van [pasgeboren kind] tot gevolg heeft gehad. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft forensisch pathologisch onderzoek verricht om de doodsoorzaak bij [pasgeboren kind] vast te stellen. Hoewel het NFI heeft gerapporteerd dat geen zekere oorzaak van het overlijden is komen vast te staan, is wel gebleken dat [pasgeboren kind] levend ter wereld is gekomen. Onderkoeling, mechanische verstikking en/of verdrinking konden op basis van de forensisch pathologische bevindingen niet worden bevestigd of uitgesloten als mogelijke oorzaak van, of bijdrage aan, het overlijden.
De rapporteur van het NFI heeft aanvullende informatie gegeven over de overlevingskans van een pasgeborene zonder adequate verzorging na de geboorte. Volgens de rapporteur is de overlevingskans onder dergelijke omstandigheden nihil. De voornaamste risico’s op overlijden zijn onderkoeling en een te laag bloedsuikergehalte. Ten aanzien van het risico op onderkoeling merkt de rapporteur op dat een pasgeborene niet in staat is om de lichaamstemperatuur te handhaven bij een omgevingstemperatuur lager dan circa 32 tot 34 graden Celsius. De dodelijke ondergrens van de lichaamstemperatuur voor pasgeborenen is niet precies vastgesteld, maar vanaf een lichaamstemperatuur lager dan circa 34 graden Celsius is er een exponentieel toenemend risico op sterfte, aldus de rapporteur.
Hoewel door het NFI geen zekere doodsoorzaak is vastgesteld, staat dit naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan het aannemen van een causaal verband tussen het nalatige gedrag van de verdachte, de hulpeloze toestand waarin de kwetsbare pasgeboren [pasgeboren kind] zich bevond en haar uiteindelijke overlijden. Aan de hand van de conclusies van het NFI kan immers wel worden vastgesteld dat [pasgeboren kind] na de geboorte nog leefde en dat het aannemelijk is dat zij nu nog in leven zou zijn als zij adequate (medische en/of andere) verzorging had gekregen.
Gelet op de conclusies van het NFI dat bij [pasgeboren kind] geen aangeboren afwijkingen zijn geconstateerd en dat andere verklaringen voor haar overlijden ontbreken, is de rechtbank van oordeel dat de situatie waarin de kwetsbare pasgeborene zich – door het nalaten van de verdachte – tot aan haar overlijden bevond – te weten in een schuur met een omgevingstemperatuur van ongeveer 9 graden Celsius, zonder bescherming tegen deze omstandigheden, zonder voeding en zonder (medische) verzorging en/of hulp – tot haar dood heeft geleid.
3.4.4.
Opzet
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte voorwaardelijk opzet had op het in een hulpeloze toestand brengen en laten van haar pasgeboren kind. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Zoals de rechtbank al onder 3.4.2. heeft vastgesteld, was de verdachte geruime tijd op de hoogte van haar zwangerschap, heeft zij tijdens haar zwangerschap geen hulp ingeschakeld en/of voorbereidende maatregelen getroffen voor haar bevalling en de verzorging van haar baby daarna. Het is een feit van algemene bekendheid dat een pasgeboren kind, ook als dat gezond ter wereld komt, per definitie hulpbehoevend is en niet (lang) kan overleven zonder voeding en verzorging van een ander. Een pasgeborene kan zijn/haar temperatuur niet voldoende zelfstandig regelen en is volledig afhankelijk van een ander voor warmte, voeding en andere (medische) hulp. Bovendien kan tijdens en kort na een bevalling sprake zijn van complicaties met risico’s voor de gezondheid en het leven van de zeer kwetsbare pasgeborene. Mogelijke complicaties kunnen doorgaans worden voorkomen en/of ondervangen door onder (professionele) begeleiding en met (medische) hulp van (een) ander(en) te bevallen.
Op de verdachte rustte als ouder op grond van artikel 1:247 van Pro het Burgerlijk Wetboek de verplichting om haar minderjarige kind te verzorgen.
Gelet op de genoemde feiten en omstandigheden en gezien haar verzorgingsverplichting als ouder heeft de verdachte met haar nalaten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij haar pasgeboren kind in een hulpeloze toestand zou brengen en laten.
3.4.5.
Verweren en conclusie
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij geen hulp heeft ingeschakeld omdat zij vanaf het begin van haar zwangerschap door getuige [getuige] , die haar zou hebben verkracht en daarmee de verwekker van haar kind zou zijn, werd bedreigd. De rechtbank constateert dat de verklaring van de verdachte op dit punt geen steun vindt in het dossier. Daarentegen bevat het dossier vele contra-indicaties die het voorgaande juist tegenspreken, zoals in het bijzonder het afgeluisterde telefoongesprek van 10 oktober 2024 tussen [getuige] en de verdachte. Op dit punt acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dan ook niet geloofwaardig.
De raadsman heeft namens de verdachte voorts aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het in een hulpeloze toestand brengen en laten van haar pasgeboren kind omdat de verdachte na de bevalling door bloedverlies en onderkoeling het bewustzijn verloor. Onder die omstandigheden zou het de verdachte niet meer te verwijten zijn geweest dat zij de hulpdiensten niet tijdig heeft ingeschakeld. De verdachte zelf heeft verklaard dat zij nooit iets bewust ten nadele van [pasgeboren kind] heeft gedaan, dat zij haar heeft geprobeerd te reanimeren en haar heeft geprobeerd te redden, maar dat dat helaas niet is gelukt. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd te reanimeren. Los daarvan, leidt dit alles de rechtbank niet tot een andere conclusie. De toestand van de verdachte na de bevalling laat onverlet dat zij al geruime tijd daarvoor voorwaardelijk opzet had op het in een hulpeloze toestand brengen en laten van haar pasgeboren kind. De verdachte had, wetende dat zij zwanger was, ook nog toen zij die avond buikkrampen kreeg en op een later moment buiten is gaan zitten, (medische) hulp kunnen inschakelen. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
Gelet op het voormelde is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op [datum] 2024 te [plaats] , opzettelijk haar pasgeboren kind ( [pasgeboren kind] ), tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten, immers heeft zij, verdachte, toen haar pasgeboren kind hulp en (medische) verzorging en voeding behoefde, opzettelijk nagelaten die hulp en (medische) verzorging te verlenen en die voeding te geven en nagelaten tijdig - adequate - (medische) hulp in te roepen, terwijl deze feiten de dood van dat pasgeboren kind ten gevolge hebben gehad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte geen standpunt ingenomen met betrekking tot de door de rechtbank te hanteren strafmaat.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte was twintig jaar oud toen zij op [datum] 2024 bevallen is van een voldragen baby. Zij heeft nagelaten tijdig en adequate (medische) hulp in te roepen en direct na de bevalling haar pasgeboren dochter [pasgeboren kind] (medische en andere) verzorging te verlenen, terwijl [pasgeboren kind] die hulp en verzorging nodig had.
De verdachte wist al geruime tijd dat zij zwanger was, maar heeft dit bewust stilgehouden. Zowel tijdens de zwangerschap, de uren voorafgaand aan de bevalling, de momenten dat (pers)weeën zich aandienden, als gedurende en na de bevalling heeft zij niet om hulp gevraagd. Bovendien heeft zij op geen voorbereidingen getroffen voor de naderende bevalling en de komst van haar baby. Zij heeft geen medici geconsulteerd, geen echo laten maken en geen hulp van haar naasten ingeroepen, terwijl zij daartoe in staat was en daar ook gelegenheid toe was.
Door zo te handelen heeft de verdachte opzettelijk een situatie in het leven geroepen waarin ze haar pasgeboren dochter [pasgeboren kind] in een hulpeloze toestand heeft gebracht én gelaten, waardoor [pasgeboren kind] is komen te overlijden.
Behalve de vermoedelijke vader van het kind en een vriendin, was niemand van de zwangerschap op de hoogte. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de drempel die de verdachte kennelijk ervaren heeft om haar zwangerschap te delen met anderen en om hulp in te schakelen, laat dit onverlet dat zij anders had kunnen en moeten handelen.
De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat zij geruime tijd bekend was met haar zwangerschap. Dit zo zijnde, blijkt echter uit niets dat zij zich op de een of andere manier verantwoordelijk voelt voor het gebeurde of de ernst daarvan inziet, ook als de rechtbank meeneemt dat zij zelf zegt dat zij [pasgeboren kind] heeft geprobeerd te reanimeren en dat haar dochter gewenst was.
Aan dit alles kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een brief van psychiater A. Banaei Kashani, verbonden aan het NIFP, van 10 juni 2025. Op grond van de destijds beschikbare stukken adviseerde de psychiater de verdachte te laten onderzoeken door een psycholoog en een forensisch milieuonderzoeker, zodat haar milieu zorgvuldig en volledig in kaart kon worden gebracht en de psycholoog de persoon van de verdachte volledig kon beschrijven.
Naar aanleiding van dit advies zijn drs. [naam 1] (GZ-psycholoog, supervisor), drs. [naam 2] (supervisant en GZ-psycholoog in opleiding) en de heer [naam 3] (forensisch milieuonderzoeker) als deskundigen aangesteld ten behoeve van een onderzoek omtrent de persoon van de verdachte. Dit heeft geleid tot het Pro Justitia-rapport van 10 september 2025.
Uit voornoemd rapport blijkt dat de verdachte – ondanks herhaalde pogingen tot contact vanuit de onderzoekers – niet heeft willen meewerken aan het onderzoek. Als gevolg daarvan hebben de deskundigen gerapporteerd dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de psychische gesteldheid en het functioneren van de verdachte. Evenwel rapporteerden de deskundigen dat het strafdossier veel zorgen oproept, waardoor een Pro Justitia-onderzoek om meer zicht te krijgen op de persoonlijkheid(sontwikkeling) van de verdachte en eventuele onderliggende psychopathologie, met het oog op het bieden van passende zorg of een interventiemaatregel, wenselijk lijkt.
Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 22 januari 2026, waaruit volgt dat de reclassering, gelet op de proceshouding van de verdachte en het feit dat een gedragskundig onderzoek ontbreekt, geen conclusies kan trekken ten aanzien van de toedracht, risico’s en risicofactoren. Daarnaast zou uit het verhaal van de verdachte het beeld naar voren komen dat zij – hoewel zij de gebeurtenissen in onderhavige zaak als traumatisch omschrijft – een manier heeft gevonden om daarmee om te gaan. Ook zou zijn geen hulpvragen hebben en de weg naar de hulpverlening weten te vinden.
De reclassering adviseert om bij een veroordeling het volwassenenstrafrecht toe te passen en een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Daarnaast rapporteert de reclassering geen zwaarwegende negatieve consequenties ten aanzien van een gevangenisstraf en word de verdachte in staat geacht tot het uitvoeren van een taakstraf.
De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek van voornoemde deskundigen blijkt dat er zorgen bestaan rondom (het welzijn en de psychische gesteldheid van) de verdachte, maar dat er buiten die vaststelling en het feit dat de verdachte heeft verklaard dat zij het mentaal soms zwaar heeft, nagenoeg geen informatie bekend is over de gesteldheid van de verdachte. Ook zijn er geen aanknopingspunten voor een kader waaruit eventuele hulp zou moeten bestaan. Wel roept de manier waarop de verdachte over de gebeurtenissen heeft verklaard, zowel bij de politie als ter terechtzitting, ernstige zorgen op bij de rechtbank. De verdachte zegt een binnenvetter te zijn en veel verdriet te hebben. Ter terechtzitting heeft zij nauwelijks emoties laten zien. Ook als ervan wordt uitgegaan dat zij wel aangedaan is, maar dat niet goed kan uiten, valt het de rechtbank op hoe zakelijk de verdachte over het geheel praat. Daarbij gaan haar verklaringen niet, ook niet in beschrijvende zin, over zichzelf, haar eigen ervaring en beleving, en evenmin over [pasgeboren kind] . Ook wijst de rechtbank op de inhoud van het door de politie afgeluisterde telefoongesprek tussen de verdachte en de vermoedelijke vader van [pasgeboren kind] na de bevalling. Dit gesprek bevat voor een groot deel “social talk”, waarin de verdachte de ernst van de situatie en haar problemen niet lijkt te onderkennen. Ten slotte wijst de rechtbank op de omstandigheid dat haar vrienden haar typeren als iemand die problemen voor zich uitschuift. Hoe problematisch die manier van omgaan kan zijn, laat de dood van [pasgeboren kind] tragisch genoeg zien.
Hoewel de rechtbank deze zorgen over de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft, kan zij bij deze stand van zaken niet anders concluderen dan dat er te weinig informatie voorhanden is waarop eventuele hulpverlening, bijvoorbeeld in het kader van een (gedeeltelijke) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, aan de verdachte zou kunnen worden opgelegd.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18)
maanden passend en geboden. Met deze duur wil de rechtbank de ernst van het feit tot uitdrukking brengen, waarbij de rechtbank opmerkt dat zij in het bijzonder betekenis toekent aan de omstandigheid dat een straf mede strekt tot normbevestiging. In strafmatigende zin acht de rechtbank van belang dat de verdachte onder levensbedreigende omstandigheden werd afgevoerd naar het ziekenhuis, medische zorg nodig had en dat het overlijden van [pasgeboren kind] ook voor haar grote impact en gevolgen heeft (gehad). Ten slotte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte nog jongvolwassen was ten tijde van het gepleegde feit en dat ook zij de (emotionele) gevolgen van haar handelen nog haar hele leven met zich mee zal moeten dragen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal een deel van die straf, groot zes maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van vijf jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en zo de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank acht daarbij een langere proeftijd passend en geboden, nu de verdachte zich in de levensfase bevindt waarin de kans bestaat dat zij binnen nu en vijf jaren opnieuw zwanger zou kunnen raken. De noodzaak een eventueel later kind te beschermen, in het bijzonder nu er vrijwel geen inzicht is verkregen in de persoonlijkheid en het daarmee samenhangende risico op herhaling, rechtvaardigt daarbij naar het oordeel van de rechtbank een proeftijd voor de duur van vijf jaren.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 255, 257 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij
krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand
brengen en laten, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
ACHTTIEN (18) MAANDEN;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
ZES (6) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
VIJF (5) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.