ECLI:NL:RBDHA:2026:2525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/09/673266 / FA RK 24-7006
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende toestemming erkenning en vaststelling kinderalimentatie

De rechtbank Den Haag behandelde op 12 januari 2026 een gecombineerde procedure betreffende vervangende toestemming voor erkenning van een minderjarige en de vaststelling van kinderalimentatie. De vader verzocht om vervangende toestemming voor erkenning van zijn kind, aangezien de moeder geen toestemming gaf. Tevens werd een bijdrage in kinderalimentatie gevraagd.

Uit DNA-onderzoek bleek dat de man de biologische vader is. De moeder verzette zich tegen erkenning vanwege emotionele weerstand, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen reden is om de erkenning te weigeren, omdat het belang van het kind bij juridische erkenning zwaarder weegt. De rechtbank verleende daarom vervangende toestemming voor erkenning.

De verzoeken omtrent gezag, omgangsregeling, hoofdverblijfplaats en informatieregeling werden aangehouden tot 15 juli 2026, in afwachting van de resultaten van een hulpverleningstraject bij een zorginstantie. De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op €75 per maand voor het kind, rekening houdend met de draagkracht van de vader en de samenloop van onderhoudsverplichtingen.

De bijzondere curator werd ontslagen, en de rechtbank gaf aan dat indien de vader niet binnen de gestelde termijn de erkenning registreert, de zaak zal worden afgedaan volgens artikel 22 Rv Pro. De rechtbank benadrukte het belang van samenwerking tussen partijen en de hulpverleningsinstanties voor de verdere afwikkeling van de gezags- en omgangsregelingen.

Uitkomst: Vervangende toestemming voor erkenning verleend en kinderalimentatie vastgesteld, overige verzoeken aangehouden tot 15 juli 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7006 (vervangende toestemming erkenning)
FA RK 25-7929 (kinderalimentatie)
Zaaknummer: C/09/673266 (vervangende toestemming erkenning)
C/09/693324 (kinderalimentatie)
Datum beschikking: 12 januari 2026

Vervangende toestemming erkenning en kinderalimentatie

Beschikking op het op 19 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonend op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat: mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat: mr. H. Devkinandan te Zoetermeer.

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. H. Dreesmann-Bruijntjes,
advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

In de procedure met kenmerk C/09/673266 (vervangende toestemming erkenning)
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2024;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • het F9-formulier van 6 januari 2025 van de man;
  • het F9-formulier van 10 januari 2025 van de moeder;
  • het F9-formulier van 14 januari 2025 van de man;
  • het F9-formulier van 24 april 2025 van de man;
  • het bericht van 28 mei 2025 van de moeder;
  • het F9-formulier van 13 juni 2025 van de man;
  • het verweerschrift van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 4 december 2025 van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 4 december 2025 van de man, met bijlagen.
In de procedure met kenmerk C/09/693324 (kinderalimentatie)
  • het verzoekschrift van de moeder, met bijlagen;
  • het verweerschrift van de man, met bijlagen.
Op 8 december 2025 zijn de zaken
gecombineerdop de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling een door hem voorbereide brief voorgedragen, waarvan hij daarna een afschrift aan de griffier heeft verstrekt.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • [minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
  • De man, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2024 is mr. H. Dreesman-Bruijntjes voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
  • Bij beschikking van 21 oktober 2025 van deze rechtbank zijn partijen doorverwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en het traject begeleide omgang en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie. Daarnaast is bepaald dat de omgang tussen de man en [minderjarige] begeleid zal plaatsvinden onder regie van de hulpverleningsinstantie.
  • Uit de door de man overgelegde uitslag van een DNA-vaderschapsthuistest blijkt dat de man met meer dan 99,999% zekerheid de biologische vader is van [minderjarige] .

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe:
  • hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW Pro te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
  • de man naast de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder, althans een beslissing op dit punt te nemen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
  • te bepalen dat [minderjarige] bij de man zal verblijven gedurende:
- in de even weken: woensdag 12.00 uur tot vrijdagavond na het eten;
- in de oneven weken: woensdag 12 uur tot zondagavond na het eten;
- de helft van de feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
- één week van de kerstvakantie, in onderling overleg te bepalen;
- drie aaneengesloten weken van de zomervakantie, in onderling overleg te bepalen;
- de helft van de overige vakanties, in onderling overleg te bepalen;
- op de verjaardag van de man;
- op de verjaardag van [minderjarige] in de even jaren;
- op Vaderdag,
waarbij de man [minderjarige] zal ophalen en terugbrengen bij de moeder, althans een zorgregeling/omgangsregeling met een zo hoog mogelijke frequentie te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
- te bepalen dat de moeder de man maandelijks zal informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] , alsmede over het vermogen van [minderjarige] , waaronder in ieder geval begrepen:
o de ontwikkeling;
o de schoolkeuze en door school te organiseren activiteiten;
o verblijf gedurende vakanties of anderszins buiten Nederland;
en te bepalen dat de moeder de man per ommegaande zal informeren over de gezondheid en de medische zaken van [minderjarige] , althans een informatie- en een consultatieregeling vast te stelen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt zij zelfstandig te bepalen dat de man € 300,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, met ingang van de dag van geboorte van [minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] .
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat de man hem erkent. De moeder weigert hiervoor toestemming te verlenen, zodat de man dit als verzoek aan de rechtbank voorlegt. Uit het DNA-onderzoek dat partijen samen hebben gedaan blijkt dat de man de biologische vader is van [minderjarige] .
De moeder voert verweer. Zij stelt dat er in het verleden veel is gebeurd tussen haar en de man. De man heeft haar in het verleden in de steek gelaten. De advocaat van de moeder heeft op de zitting betoogd dat de emotionele weerstand van de moeder bij de erkenning van de man in dit geval maakt dat de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt zodra de man [minderjarige] zou erkennen. Door dit verzoek van de man en deze procedure worden de wonden van de moeder weer opengetrokken. Zij verzoekt daarom het verzoek van de man af te wijzen.
De bijzondere curator adviseert – nu uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de vader is van [minderjarige] – dat zijn verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] moet worden toegewezen. Er doet zich geen uitzondering voor zoals in de wet vastgelegd. De emotionele weerstand van de moeder heeft volgens de bijzonder curator niet ermee te maken dat zij twijfelt of de man de verwekker is van [minderjarige] , maar houdt verband met haar visie dat de man zijn kans zou hebben gehad. De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat hij weet van wie hij afstamt en dat de juridische werkelijkheid en de biologische werkelijkheid met elkaar in overeenstemming zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals de moeder en de bijzondere curator hebben aangevoerd, lijkt de emotionele weerstand van de moeder voort te komen uit onvrede over het verleden. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat sprake is van een situatie op grond waarvan op basis van de wettelijke uitzondering erkenning van [minderjarige] door de man niet aangewezen is. Naar het oordeel van de rechtbank zullen de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] of de belangen van [minderjarige] zelf niet geschaad worden door erkenning van [minderjarige] door de man De rechtbank acht het daarentegen juist in het belang van [minderjarige] dat de familierechtelijke betrekking met zijn vader wordt vastgesteld en zal daarom het verzoek van de man toewijzen en hem vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] te erkennen.
Als partijen naar aanleiding van deze beslissing van de rechtbank de ruimte en mogelijkheid zien om toch gezamenlijk de erkenning bij de gemeente te regelen, zonder dat de man de erkenning met gebruikmaking van de vervangende toestemming hoeft uit te voeren, staat dit partijen uiteraard vrij. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder in dat geval spoedig aan de man zal aangeven dat zij haar medewerking aan de erkenning zal verlenen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgangs- c.q. zorgregeling
De man wenst een structurele omgangs- c.q. zorgregeling vast te leggen waarbij wordt toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling, in die zin dat [minderjarige] het ene weekend bij de moeder verblijft en het andere weekend bij de man. Partijen wonen nog geen vijf minuten van elkaar vandaan, zodat deze regeling volgens de man goed uit te voeren is. Daarnaast wenst de man de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. De man begrijpt dat het contact moet worden opgebouwd. Bij beschikking in de eerder dit jaar gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure zijn partijen doorverwezen naar een traject van ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Ten behoeve van duidelijkheid en structuur wenst de man dat de rechtbank in deze procedure een (voorlopige) omgangsregeling vaststelt die kan dienen als een basis, waarna bij de uitvoeringsinstantie [zorginstantie 2] in samenwerking met de ouders deze basisregeling verder kan worden uitgevoerd en uitgebreid.
De moeder stelt dat de man eerst een band moet vormen met [minderjarige] voordat een regeling kan worden vastgesteld zoals hij heeft verzocht. Voordat de omgangsbegeleiding is aangevangen waarnaar partijen zijn doorverwezen, kan er volgens de moeder geen (voorlopige) omgangsregeling worden vastgesteld. De opstart en de verdere uitvoering van een omgangsregeling moet volgens haar onder regie en begeleiding van [zorginstantie 2] moeten plaatsvinden.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor al overwogen zijn partijen in de voorlopige voorzieningenprocedure doorverwezen naar een traject van ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Aanvankelijk zouden deze trajecten worden uitgevoerd door [zorginstantie 1]. De opstart hiervan verliep niet goed, als gevolg waarvan de moeder contact heeft opgenomen met de organisatie [zorginstantie 2]. De rechtbank constateert dat de hulpverleningstrajecten bij [zorginstantie 2] zullen gaan verlopen. Het siert de moeder dat zij op eigen initiatief contact heeft opgenomen met [zorginstantie 2] om de hulpverlening zo snel mogelijk op te starten en dat partijen dit op deze wijze zelf hebben opgepakt.
Partijen moeten bij [zorginstantie 2] werken aan het opbouwen van het onderlinge vertrouwen en zullen afspraken moeten maken over de onderlinge communicatie en een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank zal voor nu geen (voorlopige) omgangsregeling vaststellen, maar gaat er als uitgangspunt vanuit dat er over een half jaar in ieder geval wekelijks contact is tussen de man en [minderjarige] , waarbij de duur, de plaats en de verder uitvoering van dit contact in onderling overleg moet worden bepaald bij [zorginstantie 2]. De rechtbank zal het verzoek van de man pro forma aanhouden voor de duur van zes maanden, te weten tot
15 juli 2026, in afwachting van de resultaten van de hulpverleningstrajecten.
Omdat partijen in de voorlopige voorzieningenprocedure zijn doorverwezen en die procedure is afgedaan, verzoekt de rechtbank de ouders om de rechtbank in deze procedure tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Daarnaast verwacht de rechtbank – net zoals in de voorlopige voorzieningenprocedure is overwogen – van de uitvoerende hulpverleningsinstantie dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Gezag en hoofdverblijfplaats
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen, en in het verlengde daarvan het verzoek tot vaststellen van de hoofdverblijfplaats, nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. Gelet op het hierboven overwogene zal de rechtbank dit verzoek mede in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 15 juli 2026. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Informatieregeling
De man heeft eveneens voorwaardelijk verzocht, ingeval zijn verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen, om een informatieregeling vast te stellen waarbij de moeder de vader eenmaal per maand moet informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] , alsmede over het vermogen van [minderjarige] , waaronder in ieder geval begrepen de ontwikkeling, de schoolkeuze en door school te organiseren activiteiten, verblijf gedurende vakanties of anderszins buiten Nederland en over de gezondheid en medische zaken van [minderjarige] .
De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat ingeval het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen, de informatieplicht voor de moeder uit de wet vloeit. Het verzoek van de vader moet daarom volgens de moeder worden afgewezen.
De rechtbank zal ook dit verzoek aanhouden in afwachting van de erkenning van [minderjarige] en de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag van de man. De rechtbank zal dan op het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling beslissen. Wel wijst de rechtbank partijen erop dat uit de wet volgt dat de moeder als ouder met gezag de wettelijke plicht heeft om de man te informeren over [minderjarige] op het moment dat hij de juridisch ouder is van [minderjarige] . Dit zal ook ter sprake komen bij het traject bij [zorginstantie 2] en hier zullen partijen in samenwerking met de hulpverlening invulling aan moeten geven.
Kinderalimentatie
De moeder heeft verzocht om een bijdrage aan kinderalimentatie. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De door de rechtbank gemaakte berekening zal aan deze beschikking worden gehecht.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is zowel voor [minderjarige] als voor [naam 2] , zijn dochter uit een eerdere relatie, onderhoudsplichtig. De moeder is onderhoudsplichtig voor [minderjarige] en voor [naam 3] , haar dochter uit een eerdere relatie. De moeder heeft aangegeven dat de vader van [naam 3] niet financieel bijdraagt. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
Bij een samenloop zoals hiervoor omschreven moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De onderhoudsplicht voor [minderjarige] is van gelijke rang als die voor [naam 2] . De rechtbank zal voor de draagkrachtverdeling van de man de nieuwe methode bij samengestelde gezinnen toepassen. De rechtbank zal de draagkracht van de man voor zijn aandeel ten aanzien van de kosten van beide kinderen apart berekenen. Zo wordt de zuivere draagkracht van de man kind berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de twee kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van zijn aandelen in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de twee aandelen omgeslagen. De rechtbank zal dit hieronder uiteenzetten en motiveren.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De moeder verzoekt de bijdrage vast te stellen met ingang van de dag van de geboorte van [minderjarige] . Gebleken is dat de man sinds de geboorte van [minderjarige] financieel bijgedragen heeft, middels verschillende bedragen door de jaren heen. De rechtbank zal de bijdrage aan kinderalimentatie daarom vaststellen per datum indiening verzoekschrift van de moeder, te weten per 17 september 2025.
Behoefte [minderjarige]
De man heeft de behoefte van [minderjarige] berekend op € 105,- per maand in 2025. De moeder heeft hiermee ingestemd, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
Behoefte [naam 2]
Uit de overgelegde stukken van de man blijkt dat bij beschikking van 12 november 2018 een bijdrage aan kinderalimentatie is vastgesteld van € 25,- per maand, door de man aan de moeder van [naam 2] te betalen. Niet gesteld of gebleken is dat deze bijdrage aan kinderalimentatie op een later moment op een hoger of ander bedrag is vastgesteld, of dat de man maandelijks meer betaalt. De man houdt in zijn draagkrachtberekening rekening met de volledige behoefte van [naam 2] , maar nergens uit blijkt dat hij meer bijdraagt dan € 25,- per maand, geïndexeerd naar 2025 afgerond € 34,- per maand. De rechtbank zal rekening houden met dit aandeel van de man in de behoefte van [naam 2] .
Behoefte [naam 3]
Zoals hierna zal blijken, zal de rechtbank geen rekening houden met een draagkracht aan de zijde van de moeder, omdat zij een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet en de verzorgende ouder is van [naam 3] en [minderjarige] . De behoefte van [naam 3] is dus niet van invloed op de draagkracht van de moeder, omdat zij al geen draagkracht heeft voor [minderjarige] . Daarnaast is gebleken dat er geen andere ouder is die bijdraagt in de kosten van [naam 3] . De rechtbank zal dus voor de draagkrachtberekening en -vergelijking geen rekening houden met de behoefte van [naam 3] .
Draagkracht man
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op basis van zijn inkomen uit loon van afgerond € 2.229,- per maand, gebaseerd op zijn recente loonstroken van augustus tot en met oktober 2025. Bij dit bedrag wordt nog 8% vakantietoeslag opgeteld.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:
  • de pensioenpremie van afgerond € 179,- per maand;
  • de premie Paww van afgerond € 2,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.120,- per maand.
Bij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.075,- en € 2.125,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2025) een draagkracht van € 117,- per maand voor de man in aanmerking nemen.
Draagkracht vrouw
Niet in geschil is dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. De rechtbank volgt de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, waarin wordt aanbevolen geen draagkracht aan te nemen bij de verzorgende ouder die een bijstandsuitkering (al dan niet samen met kindgebonden budget) ontvangt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw geen draagkracht heeft voor kinderalimentatie.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 117,- per maand (€ 117 + € 0). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 117 / 117 x 105 = € 105
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 0 / 117 x 105 =
€ 0
samen € 105
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 105,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 0,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
De man dient dus € 105,- per maand bij te dragen voor [minderjarige] en € 34,- per maand voor [naam 2] . Samen is dit € 139,- per maand. De man heeft echter maar een draagkracht van
€ 117,- per maand en dit is dus onvoldoende om in zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien.
De man kan maar € 117,- van het benodigde € 139,- aan aandeel voor de beide kinderen bijdragen. Percentueel is dit afgerond 84% (€ 117,- / € 139,- x 100). Voor ieder kind is derhalve slechts 84% van het aandeel van de man beschikbaar.
Voor [minderjarige] bedraagt 84% van het benodigde aandeel afgerond € 88,- (84% x € 105,-) en voor [naam 2] bedraagt dit afgerond € 29,- per maand (84% van € 34,-).
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat het streven is dat partijen bij het ouderschapsbemiddelingstraject toe zullen werken aan een contactregeling waarbij de man gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige] , stelt de rechtbank de zorgkorting op 15%. Op de zorgkorting zal de rechtbank ook weer het percentage van 84% toepassen. De zorgkorting bedraagt dan € 13,- per maand (84% x [15% van € 105,-] = € 13,-). Dit bedrag komt in mindering op het aandeel van de man voor [minderjarige] . Dit betekent dat de man een bedrag van € 75,- per maand (€ 88,- -/- € 13,-) voor [minderjarige] dient te betalen. De rechtbank zal dit bedrag vaststellen per datum indiening verzoekschrift van de vrouw, te weten 17 september 2025.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] te 1997 te [geboorteplaats 3] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
bepaalt dat de man vóór de hierna te noemen pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 17 september 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 75,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het
gezag, de omgangs- c.q. zorgregeling, de hoofdverblijfplaats en de informatieregelingaan tot
15 juli 2026 pro forma, in afwachting van de berichten van partijen en de hulpverlenende instantie zoals bepaald in de beschikking van 21 oktober 2025 in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/688358 / FA RK 25-5270.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door
mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2026.