Bij besluit van 25 januari 2026 legde de minister van Asiel en Migratie aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De zaak werd schriftelijk behandeld.
Verweerder stelde dat de bewaring noodzakelijk was vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser voerde aan dat stukken over de strafrechtelijke aanhouding ontbraken en dat zware grond 3f ten onrechte werd toegepast, omdat het verlies van identiteitsdocumenten tijdens vlucht niet ongebruikelijk is.
De rechtbank nam kennis van proces-verbaal van aanhouding en bevindingen die verweerder aan het dossier toevoegde en concludeerde dat er geen sprake was van vreemdelingrechtelijk toezicht. Verweerder liet zware grond 3f vallen, en de overige gronden werden niet bestreden. De rechtbank oordeelde dat de overgebleven gronden voldoende waren om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
De rechtbank vond geen grond voor onrechtmatigheid van de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.