ECLI:NL:RBDHA:2026:2490

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
09/284058-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 45 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders wegens poging tot diefstal, diefstal en verduistering

De rechtbank Den Haag heeft op 11 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van poging tot gekwalificeerde diefstal, diefstal en verduistering. De feiten betreffen onder meer het plegen van braak aan een bestelbus, het onrechtmatig gebruik van een pinpas met bijbehorende pincode en het wegnemen van geldbedragen van in totaal €2.400,- van een 93-jarige aangeefster.

Tijdens de terechtzitting op 28 januari 2026 heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van de officier van justitie en de verdediging. De rechtbank achtte de bewezenverklaring van de feiten overtuigend, waarbij de verklaring van de verdachte dat het geld voor drugsgebruik van de aangeefster was, werd verworpen. De verdachte maakte misbruik van het vertrouwen van de aangeefster en onttrok haar financiële buffer.

Gezien de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte en het advies van de reclassering, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) op voor de duur van twee jaren. Tevens werd de schadevergoeding van €2.400,- aan de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 oktober 2025, terwijl de vordering voor immateriële schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte opgelegd twee jaar ISD-maatregel en gedeeltelijke schadevergoeding van €2.400,- met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/284058-25
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 28 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.T. de Vaal naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door de deur van het voertuig (te weten: Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] ) te ontzetten en/of verbreken (met een schroevendraaier, althans een voorwerp), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 11 oktober 2025 tot en met 24 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een of meer gelbedragen van in totaal EUR 2.400, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door het gebruik van de pinpas met bijbehorende pincode voor andere doeleinden dan overeengekomen met die [aangever 2] ;
3.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 11 oktober 2025 tot en met 24 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk
- pinpas en/of
- de (huis)sleutel,
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door het (tijdelijk) verkrijgen van die pinpas (met bijbehorende pincode) voor het doen van boodschappen voor die [aangever 2] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde voor zover het betrekking heeft op de (huis)sleutel en tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3 voor zover dit feit betrekking heeft op de pinpas.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025360436 (voor wat betreft feit 1) en nummer PL1500-2025353898 (voor wat betreft de feiten 2 en 3), beiden van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 96).
Ten aanzien van feit 1:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 24 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 37):
Ik ben gemachtigd tot het doen van aangifte namens mijn werkgever, [bedrijf 1] . Op 23 oktober 2025 parkeerde ik mijn voertuig met kenteken [kenteken] te Den Haag. Ik liet
mijn voertuig, onbeschadigd en afgesloten achter.
Op 24 oktober 2025 zag ik dat mijn voertuig weg was. Ik hoorde de politie mij vertellen dat ze mijn voertuig in de nacht van 23 op 24 oktober 2025 in beslag genomen hebben, omdat er geprobeerd is in mijn voertuig in te breken.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 40):
Op vrijdag 24 oktober 2025, was ik, verbalisant [verbalisant 1] , op de Rijswijkseweg te 's-Gravenhage. De hierna genoemde straatnamen bevinden zich in de gemeente 's-Gravenhage.
Ik hoorde van collega [naam 1] dat hij zojuist de ambtshalve bekende auto inbrekers, genaamd: [verdachte] geboren [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] en [medeverdachte] , op de Rijswijkseweg/Asstraat zag fietsen.
Ik hoorde van collega [naam 1] dat hij zag dat [verdachte] EN [medeverdachte] , op de Asstraat bij een bestelbus, van het merk Mercedes-Benz voorzien van kenteken [kenteken] , stopten.
Ik zag dat [medeverdachte] EN [verdachte] bij de bovengenoemde bestelbus stopten.
Ik zag dat [medeverdachte] richting de ontzette schuifdeur liep en deze met forse kracht
ontzette, met als kennelijk doel om de schuifdeur te openen, zodat zij eventueel
goederen weg konden nemen. Ik zag dat [verdachte] naast de schuifdeur stond en zenuwachtig om zich heen keek.
Ik zag dat [verdachte] op zijn fiets richting de Asstraat/Noordpolderkade fietste en meerdere keren rechts en links keek. Ik zag dat [medeverdachte] naar de ontzette schuifdeur liep en wederom met zijn volle gewicht aan de schuifdeur hing en dat de schuifdeur na enkele seconden open schoot. Ik zag dat [verdachte] naar de genoemde bestelbus toe fietste en dat [medeverdachte] EN [verdachte] samen de bestelbus betraden.
Ten aanzien van feit 2 & 3:
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 18 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 12-13, met bijlagen p. 15-17):
Op 11 oktober vroeg ik aan [verdachte] of hij mij kon helpen met het doen van boodschappen voor mijn verjaardag. Ik overhandigde [verdachte] mijn bankpas en de bijbehorende pincode, met als doel dat hij mijn boodschappen kon doen en daarna de pas zou teruggeven. Op dat moment stond er ongeveer € 2400,- op mijn rekening. Op 13 oktober 2025 belde ik met de saldolijn. Ik hoorde dat er nog ongeveer €1200,- op mijn rekening stond. Ik had in de tussentijd niets van mijn rekening opgenomen.
[verdachte] sliep van 14 oktober op 15 oktober een nacht bij mij. Ik kwam er in de nacht van 14 op 15 oktober achter dat [verdachte] rond 02:45 uur weg was.
Op zaterdag 18 oktober 2025 kwam ik er achter dat mijn pinpas niet in meer in mijn portemonnee zat. Vervolgens nam ik contact op met ING. Zij konden mij vertellen dat er sinds maandag 13 oktober nogmaals €1200,- was afgeschreven was van mijn rekening.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, opgemaakt op 24 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 18-19, bijlage p. 20):
Ik zag op de ING uitdraai die bij de aangifte is verstrekt transacties staan die
gedaan zijn in de periode 11 oktober 2025 tot en met 18 oktober 2025. Ik zag de Geldmaat automaat op Lorentzplein vijf keer voorkomen. Door mij werden bij SOIC Banking de camerabeelden van Geldmaat Lorentzplein Den Haag gevorderd.
Ik heb voor de volgende data en tijdstippen de camerabeelden opgevraagd:
11-10-2025 16:26 // Transactie: 100,00 EUR
11-10-2025 16:27 // Transactie: 20,00 EUR
11-10-2025 16:49 // Transactie: 20,00 EUR
13-10-2025 20:23 // Transactie: 100,00 EUR
14-10-2025 14:26 // Transactie: 100,00 EUR.
Ik zag dat de eerste video gedateerd is op 11 oktober 2025. Ik kan de persoon als volgt omschrijven:
Man;
Kaal;
Tussen de 45 en 65 jaar oud
Donkergrijze winterjas met capuchon
Zwarte broek
Zwart/donkergrijze schoenen
Ik zag op de derde video, gedateerd op 11 oktober 2025 om 16:47:54, dezelfde persoon.
Ik zag op de derde video, gedateerd op 13 oktober 2025 om 20:23:31, dezelfde persoon.
Ik zag op de derde video, gedateerd op 14 oktober 2025 om 14:25:0fv 2, dezelfde
persoon.
Ik heb een screenshot gemaakt van deze persoon en deze als bijlage toegevoegd aan dit PV.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, opgemaakt op 24 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 21, bijlage p. 23-24):
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , verklaar het volgende:
Ik zag op de ING uitdraai, de transacties die zijn gedaan in de periode 11 oktober 2025 tot en met 18 oktober 2025. Ik zag in de transactiegegevens van de ING de Geldmaat automaat op Jonckbloetplein één keer voorkomen. Door mij werden bij SOIC Banking de camerabeelden gevorderd van Geldmaat Jonckbloetplein. Ik zag dat deze Geldmaat zich bevindt in een tabakswinkel genaamd ' [bedrijf 2]
'. Ik zag dat het adres van [bedrijf 2] is: [adres 1] .
Ik heb voor de volgende datum en tijdstip het camerabeeld opgevraagd:
14-10-2025 19:23 Transactie 100,00 EUR
Ik zag dat de video gedateerd is op 14 oktober 2025. Ik kan de persoon als volgt omschrijven:
Man;
In het gezicht, aan beide kanten, een diepe groef lopend van de neus naar de mondhoeken
Tussen de 45 en 65 jaar oud
Donkergrijze winterjas,
Zwarte broek
Ik heb een screenshot gemaakt van de voor- en achterzijde van deze persoon en deze
als bijlage toegevoegd aan dit PV.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 25):
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , verklaar het volgende:
Door de aangeefster was verklaard dat zij haar pinpas had meegegeven om boodschappen te doen aan een bekende van haar, te weten [verdachte] .
Nadat zij haar pinpas had meegegeven kwam zij er achter dat er 2400 euro van haar
rekening was gepind bij verschillende geldautomaten waaronder een op het Jonckbloetplein en Lorentzplein te 's-Gravenhage.
Van deze pintransacties over de periode 11 oktober tot en met 14 oktober 2025 zijn camerabeelden van de beveiligingscamera's beschikbaar gesteld door het onderzoeksteam.
Ik herkende op de fotoprintjes van de camerabeelden de verdachte als zijnde [verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1971. Ik herken hem aan zijn neus, mond en ogen. Ik ben al jaren werkzaam bij de opsporing van politie eenheid Den Haag en heb in die hoedanigheid meerdere keren ambtshalve te maken gehad met [verdachte] . De fotoprintjes van de camerabeelden zijn gevoegd bij het proces-verbaal.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 62-64):
Ik en politiemedewerker [naam 2] vervoerden [verdachte] vervolgens naar het politiebureau Laak aan de [adres 2] . Hier fouilleerde ik hem en pleegde ik onderzoek aan zijn meegevoerde spullen. Ik trof in zijn jaszak een bankpas aan op naam van ' [aangever 2] '.
3.4.
Bewijsoverwegingen feit 2 en 3
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich de gepinde geldbedragen van de aangeefster wederrechtelijk heeft toegeëigend.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, dat hij de pinpas van aangeefster mocht gebruiken om drugs te kopen voor zowel de verdachte zelf als de 93-jarige aangeefster, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig ter zijde. Uit de aangifte blijkt dat de aangeefster aan de verdachte heeft gevraagd om haar te helpen met het doen van boodschappen voor haar verjaardag. De hoogte van de opgenomen bedragen, de tijdstippen en de frequentie van de opnames en het totaalbedrag van € 2.400,- in slechts één week, maken het onaannemelijk dat alle opgenomen bedragen bestemd waren voor het doen van boodschappen. De verklaring van de verdachte dat hij de drugs ook kocht voor de aangeefster acht de rechtbank onaannemelijk gelet op de leeftijd van aangeefster en vindt geen steun in de bewijsmiddelen. Opvallend is ook dat de verdachte deze verklaring voor het eerst ter terechtzitting heeft gegeven. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de geldbedragen van de aangeefster voor zichzelf heeft gebruikt en zich die geldbedragen daarmee heeft toegeëigend.
Partiële vrijspraak feit 3
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van verduistering van de huissleutel van de aangeefster. De verdachte had de huissleutel in zijn bezit had en de aangeefster heeft verklaard dat haar huissleutel is weggenomen. Dit duidt echter veeleer op diefstal en staat eraan in de weg dat de ten laste gelegde verduistering bewezen kan worden verklaard.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 24 oktober 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om goederen, die aan [bedrijf 1] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, te weten door de deur van het voertuig (te weten: Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] ) te ontzetten en verbreken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij in de periode 11 oktober 2025 tot en met 24 oktober 2025 te 's-Gravenhage, gel
dbedragen van in totaal EUR 2.400, die aan [aangever 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door het gebruik van de pinpas met bijbehorende pincode voor andere doeleinden dan overeengekomen met die [aangever 2] ;
3
hij op in de periode 11 oktober 2025 tot en met 24 oktober 2025 te 's-Gravenhage, opzettelijk
eenpinpas
toebehorende aan [aangever 2] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door het (tijdelijk) verkrijgen van die pinpas (met bijbehorende pincode) voor het doen van boodschappen voor die [aangever 2] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van de maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel wordt opgelegd van plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige daders (hierna: ISD) voor de duur van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan de verdachte geen ISD-maatregel op te leggen, maar hem primair te veroordelen tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het ondergane voorarrest en subsidiair tot een gevangenisstraf met een voorwaardelijk deel als stok achter de deur.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot diefstal met braak van goederen uit een voertuig. Diefstallen en pogingen daartoe veroorzaken schade, overlast en gevoelens van angst bij de slachtoffers. Bovendien dragen dergelijke feiten ook bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financiële belangen, zonder rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de verduistering van een pinpas en diefstal van een geldbedrag van € 2.400- door middel van een valse sleutel. De pinpas en pincode heeft de verdachte gekregen van de aangeefster, destijds een vriendin van de verdachte van 93 jaar oud. Zij heeft hem vertrouwd en gevraagd haar te helpen met de boodschappen. De verdachte heeft in een korte tijd veelvuldig geld met de pinpas van de aangeefster gepind, onder meer voor zijn eigen drugsgebruik, terwijl dit geld haar oudedagsvoorziening was. Door zo te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de aangeefster in hem had en haar haar financiële buffer ontnomen. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 december 2025, waaruit volgt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren meermalen is veroordeeld voor met name (gekwalificeerde) diefstal.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de reclassering) over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Dit rapport van 28 januari 2025 is opgemaakt en ondertekend door de heer [naam 3] . Ter terechtzitting is hij als deskundige gehoord.
Uit het rapport blijkt dat bijna alle leefgebieden van de verdachte criminogeen zijn: huisvesting, werk, financiën, vrienden, middelen, psychosociaal functioneren en houding. De reclassering acht het risico op recidive en op onttrekking aan voorwaarden hoog. De verdachte is in 2017 veroordeeld tot een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar. Na de ISD-maatregel werd hem opnieuw twee keer een toezicht opgelegd, in 2021 en 2022. Beide toezichten zijn mislukt wegens het niet nakomen van afspraken. De laatste keer dat de verdachte een toezicht is opgelegd was in februari 2025 in het kader van schorsende voorwaarden. Dit toezicht heeft niet kunnen starten, doordat de verdachte zich niet meldde en hij vervolgens opnieuw werd aangehouden wegens recidive.
Gezien de zorgmijdende houding en de chronische problematiek (jarenlange verslaving aan alcohol en cocaïne) en jarenlang maatschappelijk disfunctioneren (werkloosheid, omgang met gebruikers en justitiecontacten), acht de reclassering een onvoorwaardelijk ISD- maatregel geïndiceerd. De verdachte kan in detentie worden gestabiliseerd en gediagnosticeerd en op basis van de diagnose worden toegeleid naar een passende klinische en/of ambulante behandeling in het kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waarna hij kan worden toegeleid naar begeleid wonen.
Voldoet de verdachte aan de vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel?
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel. Het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf.
De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
Verder is de verdachte een stelselmatige dader in de zin van de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Is de ISD-maatregel passend en geboden?
De rechtbank overweegt dat de in het verleden aan de verdachte opgelegde straffen er kennelijk niet toe hebben geleid dat de verdachte zijn gedrag heeft veranderd. Gelet op het advies van de reclassering en de houding van de verdachte jegens de reclassering zoals dat is gebleken uit de rapportage en ook ter terechtzitting, zijn er naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen passende alternatieven voor de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van personen en goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de verslavingsproblematiek, het vinden van huisvesting en aan het voorkomen van herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel.
Conclusie
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte gelegenheid te geven aan zijn problematiek te werken, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3050,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2400,00 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding moet worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen, ter grootte van het gevorderde bedrag. De schadepost is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij op dit punt rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft immers met de pinpas van de benadeelde partij meerdere malen geld gepind voor eigen gebruik.
Immateriële schade
Door de benadeelde partij is toegelicht dat het delict emotioneel veel impact op haar heeft gehad. Zij voelt zich bedrogen, slaapt slecht en voelt zich machteloos. Zij stelt dat er aldus sprake is van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW).
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het invoelbaar is dat het bewezenverklaarde gevoelens van wantrouwen bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, onvoldoende door de benadeelde partij is onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte dermate psychisch nadelige gevolgen bij haar heeft veroorzaakt dat vast is komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro. Ook liggen de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij zal gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering voor zover deze ziet op vergoeding van de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat op 18 oktober 2025 de volledige schade bekend was.
Proceskostenvergoeding
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.400,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 38m, 38n, 55, 57, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
de eendaadse samenloop van:
feit 2:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermaals gepleegd;
en
feit 3:
verduistering;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt aan de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur
van 2 (TWEE) JAREN;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.400,00, bestaande uit materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.400,00, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Wieringa, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt en mr. E.M. van Ginkel, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2026.