ECLI:NL:RBDHA:2026:2489

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
09/220068-25 en 09/149901-25 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 241 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling opzetaanranding met geweld van oudere vrouw in Den Haag

De rechtbank Den Haag heeft op 11 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van twee feiten van opzetaanranding met geweld. De eerste tenlastelegging betrof een incident in de nacht van 26 op 27 juli 2025 waarbij verdachte een oudere vrouw op straat in Den Haag heeft lastiggevallen, vastgepakt, gezoend en met geweld seksuele handelingen heeft verricht. De tweede tenlastelegging betrof een incident in mei 2025, waarvoor onvoldoende bewijs was om tot een veroordeling te komen.

Tijdens de terechtzitting op 28 januari 2026 heeft de rechtbank het bewijs beoordeeld, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen, medische documenten en het verhoor van verdachte. De rechtbank achtte het eerste feit wettig en overtuigend bewezen, mede omdat verdachte dit feit bekend heeft en niet anders heeft verklaard. Het tweede feit werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het gebruik van geweld, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een ernstige alcoholstoornis die zijn toerekeningsvatbaarheid verminderde. De strafmaat werd vastgesteld op 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en reclasseringstoezicht. Tevens werd een schadevergoeding van €3.006,84 toegewezen aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en deels toegewezen schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/220068-25 en 09/149901-25 (ttz.gev.)
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] ,
op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 november 2025 (pro forma) en 28 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie -mr. A.L.M. Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Looman naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
09/220068-25 (hierna: dagvaarding I):
hij in de nacht van 26 juli 2025 op 27 juli 2025 aan de Javastraat te 's-Gravenhage
met een persoon, te weten [aangever 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten die [aangever 1] heeft gezoend en/of deze in haar kruis heeft vastgepakt en/of op die [aangever 1] is gaan liggen en of die [aangever 1] op haar mond heeft gezoend en in haar lip heeft gebeten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [aangever 1] onverhoeds meermalen vast te pakken en/ of te duwen, waardoor die [aangever 1] ten val kwam en/of (vervolgens) op die [aangever 1] is gaan liggen en of deze bij haar nek vast te pakken;
09/149901-25 (hierna: dagvaarding II):
hij op of omstreeks 12 mei 2025 te ’s-Gravenhage en/of Leiden, althans in Nederland,
met een persoon, te weten [aangever 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten en/of strelen van haar (linker) (boven)been, boven de kleding,
- het betasten van haar borst(en), boven de kleding,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever 2] daartoe de wil ontbrak.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaardingen I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Ten aanzien van dit feit ontbreekt een bewijsmiddel dat de aangifte ondersteunt, waardoor niet aan het bewijsminimum wordt voldaan.
3.4
Opgave van bewijsmiddelen
Ten aanzien van dagvaarding I:
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025252749, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 42).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 januari 2026;
2. het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 27 juli 2025 (p. 4-5);
3. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 27 juli 2025 (p. 10-11);
4. het geschrift, te weten een verzoek medische informatie, ondertekend door [naam 1] (huisarts), opgemaakt op 28 juli 2025 (p. 37);
5. het geschrift, te weten een verzoek medische informatie, ondertekend door [naam 2] (zorgverlener bij Dental Clinics Den Haag), opgemaakt op 28 juli 2025 (p. 38).
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
hij in de nacht van 26 juli 2025 op 27 juli 2025 aan de Javastraat te 's-Gravenhage
met een persoon, te weten [aangever 1] seksuele handelingen heeft verricht, te weten die [aangever 1] heeft gezoend en deze in haar kruis heeft vastgepakt en op die [aangever 1] is gaan liggen en die [aangever 1] op haar mond heeft gezoend en in haar lip heeft gebeten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door
envergezeld van geweld, door die [aangever 1] onverhoeds meermalen vast te pakken en te duwen, waardoor die [aangever 1] ten val kwam en (vervolgens) op die [aangever 1] is gaan liggen en deze bij haar nek vast te pakken.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft over de strafmaat geen standpunt ingenomen, maar heeft de rechtbank verzocht aan de verdachte een straf op te leggen met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich onder invloed van alcohol schuldig gemaakt aan opzetaanranding waarbij geweld is gebruikt. Het slachtoffer is een oudere vrouw die in het begin van de nacht alleen op straat liep. De verdachte viel haar ineens lastig door haar vast te pakken en haar wang met zijn mond aan te raken. Zelfs toen het slachtoffer in duidelijke bewoordingen aangaf dat de verdachte weg moest gaan, kwam hij terug, greep hij haar bij haar kruis en duwde hij haar omver, waarna hij boven op haar ging liggen. De verdachte heeft haar gezoend en op haar lip gebeten. Door zo te handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Hij heeft de belangen van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Deze opzetaanranding heeft bovendien ’s nachts plaatsgevonden op een openbare plek terwijl de verdachte voor het slachtoffer een wildvreemde was. Het slachtoffer heeft door het gebruikte geweld ook letsel aan haar gebit opgelopen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte ernstig aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor zedenfeiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een Pro Justitia-rapport van 28 november 2025, opgemaakt door drs. J. Yntema, GZ-psycholoog. De psycholoog concludeert dat bij de verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van alcohol, ernstig, in vroegtijdige remissie in een gereguleerde omgeving. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was hiervan ook sprake. De verdachte ziet zelf ook in dat alcohol ervoor zorgt dat hij de controle verliest en dat hij dingen doet die hij normaal niet zou doen. Ondanks dat de verdachte zich bewust is van deze effecten en herhaaldelijk negatieve consequenties heeft ervaren van zijn alcoholgebruik – waaronder eerdere delicten – blijft hij drinken. Dit wijst op een verminderde controle over het gebruik en een sterke drang om te blijven drinken, kenmerkend voor een stoornis in het gebruik van alcohol. Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde in verminderende mate toe te rekenen. De ontremming en vermindering van het oordeelsvermogen die door alcoholgebruik optreden, hebben de gedragskeuzes van de verdachte aanzienlijk beïnvloed en zijn handelingsvrijheid beperkt. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de stoornis in het gebruik van alcohol heeft bijgedragen aan het plegen van de aanranding.
Het risico op herhaling van een zedendelict wordt bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij als hoog ingeschat. Om het risico op terugval te beperken en een effectieve behandeling te waarborgen, wordt directe plaatsing na detentie in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK of FVK) dringend geadviseerd. De behandeling dient primair gericht te zijn op de stoornis in het gebruik van alcohol, met aandacht voor impulsbeheersing, seksuele ontremming en gezonde omgang met seksualiteit, binnen een cultureel en religieus sensitieve context. De psycholoog adviseert genoemde behandeling uit te voeren in het kader van een (deels) voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld reclasseringstoezicht.
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 november 2025, opgemaakt door [naam 3] , waaruit volgt dat sprake is van een ernstige alcoholverslaving en van dakloosheid. Het alcoholmisbruik lijkt de belangrijkste oorzaak te zijn van het niet kunnen opbouwen van een maatschappelijk leven. Daarnaast vormen het alcoholmisbruik en het ontbreken van een (seksuele) relatie de risicofactoren voor de kans op recidive. De reclassering is net als het NIFP van mening dat de verdachte een klinische behandeling nodig heeft om aan zijn alcoholverslaving te werken. Gezien de risico’s vindt de reclassering het noodzakelijk dat de verdachte aansluitend op detentie klinisch wordt opgenomen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met voorwaarden op te leggen. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een alcoholverbod. Gezien het intensieve traject acht de reclassering een proeftijd van minimaal drie tot maximaal vijf jaar het best passend.
Toerekeningsvatbaarheid
Nu de conclusies en adviezen van de psycholoog en de reclassering gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, legt de rechtbank die conclusies mede aan haar oordeel over de straftoemeting ten grondslag. Dit maakt dat de rechtbank de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.
Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van veertien maanden.
De rechtbank zal een deel van de straf, te weten vier maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Dit moet de verdachte ervan weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en moet bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug- dringen.
Gedurende het onderzoek en ter terechtzitting zijn de door de reclassering geformuleerde voorwaarden met de verdachte besproken. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving hiervan.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten opzetaanranding.
Gelet op de hiervoor besproken rapporten is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Dagvaarding I
[aangever 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 2.500,00 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade. De raadsvrouw heeft met betrekking tot het gedeelte van de vordering dat ziet op vergoeding van de materiële schade verzocht om een bedrag van € 506,84 toe te wijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in dat deel van haar vordering te verklaren. Deze kosten zien op toekomstige schade en kan daarom op dit moment niet worden onderbouwd.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding moet worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verklaard dat de verdachte bereid is de benadeelde partij een
schadevergoeding te betalen. De gevorderde bedragen zijn niet betwist.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële posten ‘twee nota’s’ van € 169,94, en ‘wettelijke eigen bijdrage’ van € 336,90 is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag en de rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.
De rechtbank zal de vordering ter zake van de overige materiële schade (medische kosten à € 1.993,16) niet-ontvankelijk verklaren, omdat de benadeelde partij deze post naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit. Op grond van artikel 6:106, sub b, BW komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel en als het slachtoffer op andere wijze in de persoon is aangetast. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 2.500,- billijk is.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen, namelijk tot een bedrag van € 3.006,84, bestaande uit € 506,84 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag van volledige betaling.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.006,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 241 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van geweld;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
14 (VEERTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf,
groot 4 (VIER) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zich laat opnemen in een nader te bepalen zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. De opname vindt plaats
gedurende een jaar of zoveel korter als de reclasseringsinstelling die hem bezoekt tijdens de klinische opname, al dan niet in overleg met de behandelaars, nodig acht;
- meewerkt aan meldplicht van de reclasseringsinstelling die hem bezoekt tijdens de klinische opname. De bepaling van deze reclasseringsinstelling is afhankelijk van de locatie van de kliniek waar de veroordeelde wordt geplaatst.
aansluitend op de klinische opname meldt de veroordeelde zich bij een nader te bepalen reclasseringsinstelling. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich indien de reclassering en de kliniek dit nodig achten aansluitend aan zijn klinische behandeling, laat behandelen door de forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- aansluitend aan zijn klinische opname, indien nodig, zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- geen alcohol gebruikt en mee werkt aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.006,84 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.006,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,
mr. R. Wieringa, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt en mr. E.M. van Ginkel, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2026.