ECLI:NL:RBDHA:2026:2473

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/15330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken familie- of gezinsleven

Eiseres heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar vader, de referent. De minister wees deze aanvraag af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent, zoals vereist voor familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank weegt mee dat samenwoning in de Afghaanse cultuur gebruikelijk is en dat financiële, emotionele en praktische afhankelijkheid onvoldoende is aangetoond.

Ook is geoordeeld dat de minister terecht geen toepassing gaf aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken van familie- of gezinsleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/15330

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer]
mede namens haar minderjarige zoon:

[naam 2] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [v-nummer]
beiden van Afghaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” bij haar vader [naam 3] (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel de minister de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij referent. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent?
3. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiseres aangenomen. Hierdoor heeft de minister ook ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
3.1.
De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen meerderjarige familieleden sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dit betekent dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden tussen ouders en kinderen overstijgen. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. [1] Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.
Samenwoning
3.2.
Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat het samenwonen niet in het voordeel van eiseres wordt meegewogen omdat er sprake zou zijn van een samenwoning om gangbare redenen en de samenwoning om die reden gebruikelijk is. Dit staat niet zo in het beleid. Enkel door het samenwonen is er sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit is nooit verbroken geweest en geldt ook voor het kind van eiseres. Bovendien is het in Afghanistan niet gebruikelijk dat een jong gezin bij de ouders van de bruid blijft wonen. Het is juist gebruikelijk om bij de familie van de bruidegom te gaan wonen. De banden tussen eiseres en haar ouders waren echter zo sterk dat zij niet anders kon dan bij haar ouders wonen. Haar ouders hielpen eiseres praktisch, financieel en ook moreel. In de complexe Afghaanse maatschappij was deze steun noodzakelijk voor haar om als jonge getrouwde vrouw een leven op te kunnen bouwen.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft betrokken dat eiseres en referent tot aan het vertrek van referent hebben samengewoond. De minister heeft zich daarbij echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het in meerdere culturen, zoals de Afghaanse, gebruikelijk is dat families bij elkaar inwonen en dat de samenwoning op zichzelf dus niet maakt dat bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen eiseres en referent. De enkele stelling van eiseres dat de samenwoning in dit geval niet gebruikelijk is geweest omdat het gebruikelijk is om bij de familie van de bruidegom in te gaan wonen, maakt dit niet anders. Het is immers nog steeds gebruikelijk om in familieverband met ouders samen te wonen. Verder heeft de minister in dit kader niet ten onrechte overwogen dat eiseres slechts één dag in de week bij haar ouders verbleef omdat zij de overige dagen op de campus verbleef. De minister heeft onder deze omstandigheden de samenwoning niet ten onrechte niet zwaar laten meewegen.
Financiële afhankelijkheid
3.4.
Eiseres voert aan dat zij financieel afhankelijk is van haar ouders en dat de financiële ondersteuning niet op dezelfde wijze kan worden voortgezet in de toekomst. De ouders van eiseres maken momenteel geld naar haar over zonder toestemming hiervoor toestemming te hebben van de sociale dienst. Zodra de sociale dienst daarachter komt is er een kans dat zij deze bijdrage stopzetten. Verder zijn beide ouders arbeidsongeschikt zodat ook op die manier de financiële bijdrage niet kan worden voortgezet.
3.5.
De rechtbank stelt vast dat de minister de financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referent heeft aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële afhankelijkheid niet voldoende is om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. De enkele stelling van eiseres dat de mogelijkheid bestaat dat de financiële bijdrage vanuit de sociale dienst zou stoppen is daarvoor onvoldoende. Bovendien is ook niet uitgesloten dat referent geheel niet meer aan het werk zou kunnen. De rechtbank acht het begrijpelijk dat referent in de afgelopen periode niet heeft kunnen werken gelet op de medische zorg voor zijn echtgenote en de overige omstandigheden. Referent heeft echter zelf ook aangegeven wel te willen werken en beschikt daarvoor ook over de benodigde diploma’s.
Gezondheid en emotionele afhankelijkheid
3.6.
Eiseres voert aan dat zowel zij, als referent, als haar moeder ernstige medische problemen ervaren. De moeder van eiseres heeft als gevolg van de breuk met eiseres last van mentale problemen, waaronder concentratieproblemen. Hierdoor heeft zij een ernstig ongeluk gehad en is zij gehandicapt geraakt. De minister heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de moeder van eiseres zonder de fysieke aanwezigheid van eiseres kan functioneren. Het gezin is overbelast geraakt. Dat eiseres niet noodzakelijk zou zijn voor haar moeder omdat een andere dochter het huishouden op zich heeft genomen en er hulporganisaties betrokken zijn, doet geen recht aan de situatie. De moeder heeft eiseres nodig voor mentale en fysieke steun. Er is daarmee wel degelijk sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidssituatie. Dit geldt ook ten aanzien van de medische problematiek van referent. Het is onjuist dat referent nog functioneert. Referent werkt niet en doet thuis soms wat oefeningen. Ter onderbouwing heeft eiseres verschillende medische stukken overgelegd.
3.7.
De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een medische of emotionele afhankelijkheidsrelatie tussen haar en referent of tussen haar en haar moeder. De minister heeft hiertoe kunnen overwegen dat de medische problemen van eiseres pas kortgeleden zijn ontstaan en dat zij voor medische hulp eerder ook niet afhankelijk is geweest van de fysieke aanwezigheid van haar familie. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat deze afhankelijkheid nu wel is ontstaan. Ook ten aanzien van de medische problemen van referent en van de moeder van eiseres heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de medische problemen maken dat sprake is van een medische afhankelijkheid. De rechtbank ontkent daarmee niet de ernst van de medische klachten en begrijpt de zorgen die dit voor de hele familie met zich brengt. De rechtbank acht de wens om eiseres naar Nederland te laten komen dan ook begrijpelijk. De minister heeft er echter terecht op gewezen dat de ouders van eiseres wordt ondersteund door verschillende organisaties en door de overige gezinsleden. Dit volgt ook uit het door eiseres overgelegde rapport van de organisatie ‘Jeugd en Gezin’. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het rapport en uit de verklaringen niet is gebleken dat de komst van eiseres essentieel is voor het kunnen functioneren in het dagelijks leven en evenmin is gebleken van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid.
Praktische afhankelijkheid
3.8.
Eiseres voert aan dat de minister het feit dat zij als vrouw niet mag werken, geen hulp kan krijgen en altijd toestemming nodig heeft van een mannelijk gezinslid en hierdoor vervreemd is van haar land van herkomst op zijn minst marginaal in haar voordeel zou moeten meewegen. Het feit dat eiseres niet kan terugvallen op overheidsinstellingen of hulporganisaties maakt dat zij afhankelijk blijft van haar ouders in Nederland. Er is hierdoor sprake van een exclusieve afhankelijkheidsrelatie.
3.9.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van praktische afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat is gebleken dat er in Nederland verschillende instanties zijn betrokken om referent en zijn gezinsleden te ondersteunen. Verder heeft de minister terecht overwogen dat referent heeft verklaard dat eiseres dagelijks door het leven kan met behulp van buren en daarvoor geen toestemming van referent nodig heeft. Dat eiseres mogelijk toestemming nodig heeft om met andere vrouwen naar de stad te gaan, heeft de minister onvoldoende mogen achten om hieruit praktische afhankelijkheid af te leiden. Bovendien is niet gebleken dat referent deze toestemming niet op afstand aan eiseres kan geven.
Banden met het land van herkomst
3.10.
Eiseres voert aan dat zij door de beperkingen die zij als vrouw ervaart vervreemd is geraakt in haar land van herkomst. Dit zou daarom op zijn minst marginaal in haar voordeel moeten worden meegewogen.
3.11.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de banden met het land van herkomst marginaal worden meegewogen. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de beoordeling heeft betrokken dat eiseres door het steeds strenger wordende regime van de Taliban vervreemd is geraakt van haar land. Dit maakt volgens de minister echter niet dat haar kennis van de taal, cultuur en de sociale contacten waarop eiseres kan terugvallen worden weggenomen. De minister heeft de banden met het land van herkomst daarom niet ten onrechte marginaal in het nadeel meegewogen.
Hechte persoonlijke banden
3.12.
Eiseres voert aan dat tussen alle gezinsleden binnen het gezin sprake is van hechte persoonlijke banden. Het gezin zorgde voor elkaar en ze namen voortdurend zorgtaken van elkaar over.
3.13.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit kader terecht heeft overwogen dat niet is gebleken dat referent de zorgtaken over de zoon van eiseres heeft overgenomen. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij de zorgtaken over haar broers en zussen of haar ouders heeft overgenomen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van zodanige hechte persoonlijke banden dat hierdoor sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Conclusie
3.14.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister alle omstandigheden heeft betrokken bij de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en tussen eiseres en de overige gezinsleden. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister terecht geen toepassing gegeven aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht?
4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid of de inherente afwijkingsbevoegdheid. Het achterlaten van eiseres en haar kind is onevenredig hard. Afghanistan is een vreselijk land om als alleenstaande vrouw te moeten overleven. Omdat het gezin behoort tot de Hazara en referent voor Oxfam Novib heeft gewerkt is de situatie in Afghanistan extreem moeilijk. Daarnaast heeft de moeder van eiseres in Nederland een vreselijk ongeluk gehad dat invloed heeft op het gehele gezin.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiseres niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat er toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 4:84 van Pro de Awb. De minister heeft de door eiseres aangevoerde omstandigheden kenbaar betrokken in haar besluitvorming. De rechtbank begrijpt uit hetgeen is aangevoerd dat de omstandigheden voor eiseres in Afghanistan extreem moeilijk zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister daarin geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 4:84 van Pro de Awb.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht geoordeeld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiseres en referent op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, zodat de gevraagde mvv terecht is afgewezen.
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
De rechter is buiten staat te tekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, rechtsoverweging 3.