De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011, vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling binnen het gezin. De minderjarige heeft aangegeven mishandeld te zijn en angst te hebben voor haar vader vanwege haar geaardheid. Een medewerker van het Crisis Interventie Team heeft een poging tot wurging door de vader waargenomen.
De ouders ontkennen fysiek geweld en voeren verweer tegen de uithuisplaatsing, maar staan open voor hulpverlening. De minderjarige wil terug naar huis, maar de kinderrechter acht het noodzakelijk dat zij voorlopig elders verblijft om haar veiligheid te waarborgen en verdere hulp mogelijk te maken. De plaatsing bij de tante vaderszijde wordt als passend gezien, met veiligheidsafspraken.
De kinderrechter concludeert dat aan de voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt tot 24 maart 2026. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.