De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de omgangsregeling tussen de vader en zijn twee minderjarige kinderen, waarbij werd gevraagd de omgang geheel te schorsen tot het einde van de ondertoezichtstelling. De omgangsregeling was eerder vastgesteld en voorzag in tweemaal per maand vier uur omgang onder begeleiding.
De gecertificeerde instelling motiveerde het verzoek met het feit dat de vader zich na een begeleid bezoek dreigend en intimiderend had uitgelaten richting hulpverleners en geen contact meer had gezocht met de kinderen. Er werd een risico op impulsief en agressief gedrag gesignaleerd, waardoor tijdelijke schorsing noodzakelijk zou zijn voor de rust en veiligheid van de kinderen.
De moeder stemde in met het verzoek, terwijl de vader niet was verschenen. De kinderrechter oordeelde echter dat de schorsing een zeer ingrijpende maatregel is en dat de onderbouwing onvoldoende concreet was om te concluderen dat het belang van de kinderen nu vereist dat de omgang geheel wordt stilgezet. Tevens werd meegewogen dat een vergelijkbaar verzoek op korte termijn door de familierechter zal worden beoordeeld.
De kinderrechter wees het verzoek af en gaf de gecertificeerde instelling de opdracht om met de huidige omgangsregeling regie te voeren die voorspelbaarheid en duidelijkheid voor de kinderen biedt. De vader krijgt hiermee de kans om zich in het belang van de kinderen begeleidbaar op te stellen.