ECLI:NL:RBDHA:2026:237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.58355
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 8 januari 2026, wordt het beroep van eiser behandeld dat is ingediend omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van 17 maart 2025. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. De beslistermijn begint op het moment dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Eiser heeft zijn aanvraag op 17 maart 2025 ingediend, en de minister heeft op 13 juni 2025 bevestigd dat de aanvraag in de nationale procedure is opgenomen. De rechtbank concludeert dat Nederland al eerder verantwoordelijk was, namelijk op 18 mei 2025, na het verstrijken van twee maanden na de Eurodac-treffer. De beslistermijn van zes maanden is op die datum begonnen en verstreken op 18 november 2025. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling van 9 november 2025 prematuur is ingediend, waardoor het beroep niet voldoet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart het beroep dan ook kennelijk niet-ontvankelijk en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58355

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 17 maart 2025.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. [2] De beslistermijn vangt aan op de datum dat wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. [3] Eiser heeft de aanvraag ingediend op 17 maart 2025. Bij brief van 13 juni 2025 heeft de minister eiser medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de nationale procedure opgenomen wordt. De rechtbank stelt vast dat de verantwoordelijkheid van Nederland al eerder vaststond, namelijk na het verstrijken van twee maanden na de Eurodac-treffer van 17 maart 2025. [4] Nederland is dus op 18 mei 2025 verantwoordelijk geworden voor de aanvraag. De beslistermijn van zes maanden is op die datum aangevangen en verstreken op 18 november 2025. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 9 november 2025 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [5]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4.Dat volgt uit de artikelen 21 (in geval van overname) en 23 (in geval van terugname) van de Dublinverordening.
5.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.