Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
Vooropgesteld moet worden dat de gecertificeerde instelling [de minderjarige] – ondanks de toestemming van de moeder – niet uit huis had mogen plaatsen zonder rechterlijke machtiging. Uit artikel 1:265a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt immers dat een minderjarige die onder toezicht is gesteld slechts met een machtiging tot uithuisplaatsing uit huis kan worden geplaatst.
De kinderrechter is evenwel van oordeel dat een langere uithuisplaatsing van [de minderjarige] in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Er zijn namelijk grote zorgen over de opvoedomgeving van [de minderjarige] bij de moeder. De moeder heeft zich herhaaldelijk niet aan de gemaakte (veiligheids)afspraken gehouden. Zo is de moeder meerdere keren zonder toestemming en overleg met [de minderjarige] vertrokken uit het moeder-kindhuis, waarbij onduidelijk was waar en met wie zij waren. Daarnaast zijn er zorgen over het contact van de moeder met de vader van [de minderjarige] . Er is sprake geweest van fysiek en verbaal geweld tussen de moeder en haar ex-partner, waar [de minderjarige] getuige van is geweest. Verder zijn er zorgen over de psychische problematiek van de moeder en haar (on)mogelijkheden om in de opvoedbehoeften van [de minderjarige] te voorzien. [de minderjarige] is gelet op haar zeer jonge leeftijd volledig afhankelijk van haar opvoeder en op dit moment kan haar veiligheid niet voldoende gewaarborgd worden bij de moeder. De kinderrechter zal daarom een spoedmachtiging uithuisplaatsing verlenen, zodat de plaatsing van [de minderjarige] in het (crisis)pleeggezin gewaarborgd blijft.
5.De beslissing
09.00 uur, voor gelijktijdige behandeling met het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing met zaaknummer C/09/696966 / JE RK 25-2211;
- de gecertificeerde instelling;
- de moeder.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.