ECLI:NL:RBDHA:2026:2311

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/697039 / JE RK 26-3
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging spoed-uithuisplaatsing minderjarige wegens onveilige opvoedomgeving

De gecertificeerde instelling verzocht op 2 januari 2026 om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 17 juni 2025 onder toezicht stond. De minderjarige verbleef sinds 29 december 2025 met toestemming van de moeder in een crisispleeggezin, maar de moeder trok haar toestemming op 2 januari 2026 in.

De kinderrechter overwoog dat uithuisplaatsing zonder rechterlijke machtiging niet is toegestaan volgens artikel 1:265a BW. Gezien de ernstige zorgen over de opvoedomgeving, waaronder het niet naleven van veiligheidsafspraken door de moeder, het getuige zijn van geweld tussen de moeder en haar ex-partner, en de psychische problematiek van de moeder, was een spoedplaatsing noodzakelijk.

De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de plaatsing direct kon doorgaan. De behandeling van het verzoek werd aangehouden tot een zitting op 9 januari 2026 voor verdere besluitvorming. De beschikking werd gegeven door kinderrechter P. de Haan en griffier J.M. Dreef, met mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleegzorgvoorziening wegens ernstige zorgen over haar veiligheid en opvoedomgeving.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/697039 / JE RK 26-3
Datum uitspraak: 2 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de gecertificeerde instelling met bijlagen, ontvangen op 2 januari 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een crisispleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de kinderrechter het toen nog ongeboren kind van de moeder aangemerkt als reeds geboren en het ongeboren kind onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling met ingang van 17 juni 2025 tot 17 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen tot 27 januari 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de ontvangen informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1] De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] .
4.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] verbleef tot 29 december 2025 met de moeder in een moeder-kindhuis. Sindsdien verblijft zij met toestemming van de moeder voor een time-out in een crisispleeggezin. Op 2 januari 2025 heeft de moeder haar toestemming ingetrokken, waardoor de gecertificeerde instelling de kinderrechter heeft verzocht om een spoedmachtiging uithuisplaatsing.
Vooropgesteld moet worden dat de gecertificeerde instelling [de minderjarige] – ondanks de toestemming van de moeder – niet uit huis had mogen plaatsen zonder rechterlijke machtiging. Uit artikel 1:265a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt immers dat een minderjarige die onder toezicht is gesteld slechts met een machtiging tot uithuisplaatsing uit huis kan worden geplaatst.
De kinderrechter is evenwel van oordeel dat een langere uithuisplaatsing van [de minderjarige] in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Er zijn namelijk grote zorgen over de opvoedomgeving van [de minderjarige] bij de moeder. De moeder heeft zich herhaaldelijk niet aan de gemaakte (veiligheids)afspraken gehouden. Zo is de moeder meerdere keren zonder toestemming en overleg met [de minderjarige] vertrokken uit het moeder-kindhuis, waarbij onduidelijk was waar en met wie zij waren. Daarnaast zijn er zorgen over het contact van de moeder met de vader van [de minderjarige] . Er is sprake geweest van fysiek en verbaal geweld tussen de moeder en haar ex-partner, waar [de minderjarige] getuige van is geweest. Verder zijn er zorgen over de psychische problematiek van de moeder en haar (on)mogelijkheden om in de opvoedbehoeften van [de minderjarige] te voorzien. [de minderjarige] is gelet op haar zeer jonge leeftijd volledig afhankelijk van haar opvoeder en op dit moment kan haar veiligheid niet voldoende gewaarborgd worden bij de moeder. De kinderrechter zal daarom een spoedmachtiging uithuisplaatsing verlenen, zodat de plaatsing van [de minderjarige] in het (crisis)pleeggezin gewaarborgd blijft.
4.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.4.
De gecertificeerde instelling en de belanghebbende worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 januari 2026 tot 16 januari 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van
9 januari 2026om
09.00 uur, voor gelijktijdige behandeling met het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing met zaaknummer C/09/696966 / JE RK 25-2211;
5.4.
vraagt de griffier voor voornoemde zitting op te roepen:
  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Haan, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).