De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader tot het vaststellen van gezamenlijk gezag en een omgangsregeling over zijn dochter, een negenjarige met een ontwikkelingsachterstand die functioneert op het niveau van een vierjarige. De moeder heeft het gezag en de zorg, en de Raad voor de Kinderbescherming bracht een negatief advies uit vanwege de problematiek rondom de vader en de zorgbehoefte van het kind.
De Raad constateerde dat de vader weinig zelfreflectie toont, afspraken niet nakomt en mogelijk een alcoholprobleem heeft, wat door hem wordt ontkend. De moeder is angstig en wantrouwend jegens de vader. De minderjarige kan niet praten en heeft behoefte aan een vaste structuur, waardoor contact met de vader veel begeleiding vereist. De ouders communiceren niet en de laatste ontmoeting tussen vader en kind was in 2019.
De rechtbank overweegt dat het belang van het kind voorop staat en dat gezamenlijk gezag spanningen zou veroorzaken. De vader heeft onvoldoende initiatief getoond om zich te verdiepen in de problematiek van het kind en de omgangsbegeleiding is niet van de grond gekomen. De rechtbank acht het voorstel van de vader om informeel contact te zoeken niet haalbaar.
De rechtbank wijst daarom de verzoeken van de vader af en benadrukt dat rust en duidelijkheid voor het kind en de moeder noodzakelijk zijn. De vader wordt geadviseerd de cursus ‘Geef me de 5’ te volgen en zich te informeren over de problematiek van zijn dochter voordat contact kan worden overwogen.