ECLI:NL:RBDHA:2026:2230

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/695363 / FA RK 25-9023
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling maandelijkse alimentatie voor jong-meerderjarige na meerderjarigheid

De rechtbank Den Haag behandelde op 6 januari 2026 het verzoek van een jong-meerderjarige om vaststelling van de alimentatie die de vader moet betalen na haar meerderjarigheid. De zaak werd gelijktijdig behandeld met de echtscheidingsprocedure van de ouders.

De jong-meerderjarige vroeg om een maandelijkse bijdrage van €314,-, terwijl de vader stelde dat een bedrag van maximaal €266,- passend was. De rechtbank baseerde haar berekening op de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie en de financiële gegevens van beide ouders.

De behoefte van de jong-meerderjarige werd vastgesteld op €603,- per maand, waarbij de gezamenlijke draagkracht van de ouders €1.355,- bedroeg. De alimentatie werd naar rato van draagkracht verdeeld, waarbij de vader een bijdrage van €276,- per maand moet leveren. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees het meerdere af.

Uitkomst: De vader moet vanaf 6 januari 2026 maandelijks €276,- aan alimentatie betalen aan de jong-meerderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9023
Zaaknummer: C/09/695363
Datum beschikking: 6 januari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 24 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de jong-meerderjarige] ,

[de jong-meerderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.D. Radenovska te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. van der Heiden te Honselersdijk.

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.D. Radenovska te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 24 november 2025 van de advocaat van [de jong-meerderjarige] , met bijlagen;
  • het F9-formulier van 27 november 2025 van de advocaat van [de jong-meerderjarige] ;
  • het F9-formulier van 28 november 2025 van de advocaat van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 28 november 2025 van de advocaat van [de jong-meerderjarige] , met bijlagen;
  • het e-mailbericht van 1 december 2025 van de advocaat van de vader.
Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Het betrof een
gecombineerde behandelingvan zowel de onderhavige procedure als de procedure met betrekking tot de echtscheiding en verdeling van de ouders (zaak- en rekestnummers C/09/675938 / FA RK 24-8310 en C/09/683026 / FA RK 25-2531). De uitspraak daarvan is in een aparte beschikking vastgelegd. Op de zitting van 9 december 2025 zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat (tevens advocaat van [de jong-meerderjarige] ) en tolk M.S. Paunova;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
[de jong-meerderjarige] is niet persoonlijk op de zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat.
Feiten
- De vader en de moeder zijn de ouders van [de jong-meerderjarige] .
- [de jong-meerderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2007.
- Deze rechtbank heeft op 27 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen en, voor zover van belang:
- bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 27 november 2024 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de jong-meerderjarige] en [naam 2] van € 587,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

[de jong-meerderjarige] heeft verzocht:
- te bepalen en vast te stellen dat de vader maandelijks bij vooruitbetaling als bijdrage
in de kosten van haar levensonderhoud en studie een bedrag van € 314,- per maand zal voldoen, met ingang van [geboortedatum] 2025 (datum van het meerderjarig worden), dan wel per datum van de indiening van het verzoekschrift, dan wel een ander bedrag per maand bij vooruitbetaling en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren;
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vader verzocht te bepalen dat de vader dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige] met een bedrag van maximaal € 266,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

Beoordeling

Bij de vaststelling en de berekening van de alimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. Omdat bij de voorlopige voorzieningenprocedure van 27 november 2024 al een voorlopige bijdrage aan kinderalimentatie voor [de jong-meerderjarige] is vastgelegd van € 293,50 per maand, zal de rechtbank de bijdrage aan alimentatie voor [de jong-meerderjarige] vaststellen per datum van deze beschikking.
Behoefte
Op de zitting is met partijen besproken of voor [naam 2] en [de jong-meerderjarige] van dezelfde behoefte moet worden uitgegaan of dat voor [de jong-meerderjarige] de norm gebaseerd op de Wet studiefinanciering (Wsf-norm) gehanteerd moet worden. Alle partijen zijn van mening dat voor [naam 2] en [de jong-meerderjarige] van een gelijke behoefte moet worden uitgegaan, zodat de rechtbank dat zal volgen. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [naam 2] en [de jong-meerderjarige] samen in 2025 € 1.206,- bedraagt. De rechtbank gaat daarom uit van een behoefte van [de jong-meerderjarige] van € 603,- in 2025.
Beide ouders zijn onderhoudsplichtig voor [de jong-meerderjarige] . De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van [de jong-meerderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van [de jong-meerderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Draagkracht moeder
Partijen zijn eens dat voor de berekening van de draagkracht van de moeder moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming over januari tot en met september 2025. Uit productie 15 blijkt dat de winst uit onderneming over januari tot en met september 2025 € 30.650,29 bruto bedroeg. Voor de berekening extrapoleert de rechtbank dit naar een volledig jaar. De rechtbank houdt daarom aan de zijde van de moeder rekening met een winst uit onderneming van € 40.867,- bruto per jaar en een MKB-winstvrijstelling van € 5.190,-.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 6.087,- per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.371,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 735,- per maand
(70% x [3.371 - (0,3 x 3.371 + 1.310)]).
Draagkrachtvader
Partijen zijn het eens dat voor de berekening van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van een inkomen van € 3.844,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de vader overgelegde salarisspecificaties van september tot en met november 2025. Daarbij houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag en pensioenpremies van € 172,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 3.136,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 620,- per maand
(70% x [3.136 - (0,3 x 3.136 + 1.310)]).
Draagkrachtvergelijking en zorgkorting
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.355,- per maand (€ 735,- + € 620,-). Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [naam 2] en [de jong-meerderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader voor [de jong-meerderjarige] bedraagt: 620 / 1.355 x 603 = € 276,-
Het eigen aandeel van de moeder voor [de jong-meerderjarige] bedraagt: 735 / 1.355 x 603 =
€ 327,-
samen € 603,-
Van de behoefte van [de jong-meerderjarige] komt een gedeelte van € 276,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 327,- komt voor rekening van de moeder.
Nu [de jong-meerderjarige] meerderjarig is, zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de vader met ingang van 6 januari 2026 een bedrag van € 276,- per maand aan [de jong-meerderjarige] moet betalen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt de door de vader met ingang van 6 januari 2026 te betalen alimentatie voor [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , op € 276,-per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 januari 2026.