ECLI:NL:RBDHA:2026:2216

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/655055 / FA RK 23-7346
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over herstel van contact en omgangsbegeleiding tussen minderjarige en vader

De rechtbank Den Haag behandelt een verzoek van de moeder inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken van hun minderjarige kind, waarbij het contact tussen de vader en de minderjarige al geruime tijd is verbroken.

Eerder was bepaald dat partijen zouden deelnemen aan een traject omgangsbegeleiding via Jeugdteams Leidse Regio, maar dit is niet van start gegaan omdat de vader vanwege zijn geestelijke en lichamelijke gesteldheid niet kon deelnemen. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukt dat het uitblijven van contact schadelijk is voor het kind en dat herstel van contact in haar belang is.

De moeder staat niet open voor omgangsbegeleiding vanwege angst voor teleurstelling en zorgen over de veiligheid van het kind. De vader heeft geen contact met het kind en voelt zich verdrietig, maar wil het contact herstellen en heeft gewerkt aan zichzelf, onder meer via traumatherapie.

De rechtbank benadrukt het belang van contactherstel en stelt dat ondanks het beperkte draagvlak bij de moeder, omgangsbegeleiding alsnog moet starten. Beide ouders moeten contact opnemen met Cardea, eventueel met een verwijzing van huisarts of Jeugd- en Gezinsteam. De rechtbank houdt verdere beslissingen over zorg- en opvoedingstaken aan tot 1 augustus 2026 en verlangt tussentijdse rapportages over het verloop van het traject.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het opstarten van begeleide omgang via Cardea en houdt verdere beslissingen over zorg- en opvoedingstaken aan tot 1 augustus 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-7346
Zaaknummer: C/09/655055
Datum beschikking: 9 januari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 11 oktober 2023 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
met een bij de rechtbank bekend briefadres,
advocaat: mr. N.D. Bauman te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 30 januari 2025 van deze rechtbank is, voor zover hier van belang:
  • vastgesteld dat partijen zijn doorverwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding;
  • bepaald dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
  • de Raad voor de Kinderbescherming verzocht bij een niet positief verlopen traject te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is;
  • iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
- de brief van Cardea van 12 mei 2025;
- het F9 bericht van de moeder van 21 augustus 2025;
- het F9 bericht van de vader van 21 augustus 2025;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 september 2025.
Op 28 november 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Sinds de beschikking van 30 januari 2025 hebben zich de volgende ontwikkelingen voorgedaan.
Uit de terugmelding van Cardea van 12 mei 2025 blijkt dat de omgangsbegeleiding niet van start is gegaan. De reden hiervoor is dat de vader heeft aangegeven niet te kunnen deelnemen aan de omgangsbegeleiding in verband met zijn geestelijke en lichamelijke gesteldheid. De Raad heeft naar aanleiding van de terugmelding van Cardea op 25 september 2025 medegedeeld dat er geen raadsonderzoek zal worden ingesteld. De Raad heeft aangegeven dat [de minderjarige] door het uitblijven van een onbelaste band met haar vader wordt beschadigd. Dit heeft de Raad al eerder aangegeven en dit is onveranderd. De Raad vraagt zich af hoe ouders dit (later) aan haar gaan uitleggen. De Raad ziet geen gewijzigde omstandigheden, anders dan dat de vader inmiddels verhuisd is naar [plaats] . De Raad vindt het, zoals eerder ook al aangegeven, in het belang van [de minderjarige] als het contact met haar vader hersteld wordt. [de minderjarige] moet zelf kunnen ontdekken wie haar vader is en hoe hij deel uit maakt van wie zij is. Het (professioneel) begeleid opstarten is noodzakelijk zolang ouders daar geen andere gemeenschappelijke visie over hebben. De Raad betreurt het dat het de ouders tot nu toe niet is gelukt om dit voor [de minderjarige] te organiseren.
De moeder geeft in de stukken aan dat er bij [de minderjarige] en bij haar zelf nog altijd geen draagvlak bestaat om na zo lange tijd omgang zonder professionele begeleiding op te starten. Dit is voor de moeder de enige manier waarop contact tussen [de minderjarige] en haar vader en vervolgens omgang in de toekomst eventueel opgestart zou kunnen worden.
Op de zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat het goed gaat met haar en [de minderjarige] . [de minderjarige] zit inmiddels in groep 8 en heeft een druk leven. Zij is bezig met het uitzoeken van een middelbare school, bezoekt daarvoor open dagen en gaat iedere woensdag naar dansles. De moeder geeft aan inmiddels niet meer open te staan voor het opstarten van omgangsbegeleiding. Haar voornaamste angst is dat [de minderjarige] weer teleurgesteld gaat worden door de vader en ook vreest zij voor de veiligheid van [de minderjarige] omdat er in het verleden veel is gebeurd en zij de vriendenkring van de vader niet vertrouwt.
De vader stelt dat hij inmiddels al twee jaar lang geen contact met [de minderjarige] heeft omdat de moeder dit afhoudt. Hij weet niet hoe het met [de minderjarige] gaat omdat de moeder hem daarover niet informeert. Dit doet hem veel verdriet. De vader vindt de situatie schadelijk voor [de minderjarige] en zou dit graag anders zien, maar hij heeft geen vertrouwen in de voorgestelde omgangsbegeleiding. De vader verwacht niet dat de moeder ooit nog vrijwillig haar medewerking zal verlenen aan herstel van omgang. Ook heeft de vader aangegeven dat hij inmiddels is verhuisd naar [plaats] omdat hij daar een eigen woning kon krijgen, wat in de randstad niet lukte. Hij woont daar nu samen met zijn moeder voor wie hij mantelzorger is en hij heeft een slaapkamer opgeknapt voor [de minderjarige] .
De vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij de afgelopen periode hard aan zichzelf heeft gewerkt. Het werd te veel voor hem om naast het volgen van intensieve traumatherapie ook te starten met omgangsbegeleiding, die wat hem betreft ook niet nodig is. Hij staat op de wachtlijst voor voortzetting van de traumatherapie en voelt zich klaar om zijn rol als vader weer op zich te nemen want hij mist [de minderjarige] enorm.
De rechtbank stelt voorop dat zij het in het belang van [de minderjarige] vindt, dat het contact met haar vader wordt hersteld en dat zij weer omgang met elkaar kunnen hebben. Om die reden is het teleurstellend dat de vader in de eerste helft van dit jaar de omgangsbegeleiding die eindelijk van start zou gaan, heeft stopgezet. Hierdoor is veel tijd verloren gegaan. De vader wil het contact met [de minderjarige] herstellen. Daarvoor is het van belang dat hij de zorgen van de moeder serieus neemt en deze niet bagatelliseert. Er is in het verleden veel gebeurd en dat heeft ook zijn weerslag gehad op [de minderjarige] . Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook dat de Raad en de overige betrokken professionals aangeven dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het contact tussen [de minderjarige] en de vader wordt hersteld omdat het [de minderjarige] meer schade berokkent als er geen contact is. Alle professionals zijn het er ook over eens dat, gelet op de lange periode dat er geen contact is, contactherstel begeleid moet plaatsvinden. De rechtbank vindt het daarom van belang voor [de minderjarige] dat, ondanks het inmiddels zeer beperkte draagvlak daarvoor bij de moeder, er alsnog gestart wordt met omgangsbegeleiding en zal daartoe dan ook beslissen. De ouders dienen daartoe (ieder) zelf weer contact op te nemen met Cardea, zo nodig met een verwijzing van de huisarts of het Jeugd- en Gezinsteam (JGT). Het doel van de omgangsbegeleiding is het herstellen van het contact en om op zo kort mogelijke termijn onbegeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader weer mogelijk te maken, zoals in het verleden ook het geval was.
De rechtbank geeft de moeder mee dat ondanks haar weerstand tegen contactherstel, van haar verlangd wordt dat zij, in het belang van [de minderjarige] , hieraan meewerkt, zoals zij begin vorig jaar ook deed. Daarbij merkt de rechtbank op dat het van belang is dat de moeder de komende maanden de vader op de hoogte houdt over hoe het met [de minderjarige] gaat, bijvoorbeeld per e-mail. Dit kan ervoor zorgen dat de vader beter kan aansluiten bij [de minderjarige] omdat hij dan weet wat er in haar leven speelt en daardoor het contactherstel soepeler kan verlopen.
De rechtbank benadrukt dat de vader van zijn kant er alles aan moet doen om het dit keer wel te laten slagen. De vader dient de geboden kans om alsnog omgangsbegeleiding in te zetten met beide handen aan te grijpen.
De rechtbank heeft op de zitting met de vader en de moeder ook de mogelijkheid van videobellen tussen [de minderjarige] en de vader besproken. De rechtbank vindt dit echter op dit moment niet de aangewezen route omdat dit het traject bij Cardea om tot contactherstel te komen kan doorkruisen.
In afwachting van de resultaten van het traject omgangsbegeleiding zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden tot na te noemen pro formadatum. De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tussentijds te informeren over het verloop van de omgangsbegeleiding en zich uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure. De advocaten wordt verzocht hierbij ook zo mogelijk (tussen)verslagen van de hulpverleners in het geding te brengen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat zowel de vader als de moeder zich zal wenden tot Cardea, zo nodig met een verwijzing van de huisarts of het Jeugd- en Gezinsteam, voor het opstarten van contactherstel en in navolging daarvan begeleide omgang tussen de vader en de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de vader en de moeder de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van het traject  zo mogelijk met (tussen)verslagen van de hulpverleners  en over de gewenste voortgang van de procedure;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de
verdeling van de zorg- en opvoedingstakenaan tot
1 augustus 2026 pro forma;
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 januari 2026.