ECLI:NL:RBDHA:2026:2213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/675740 / FA RK 24-8214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling tussen ouders en minderjarige na beëindiging gezag

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de ouders om een omgangsregeling met hun minderjarige kind vast te stellen, nadat het gezag over het kind was beëindigd en de Stichting Jeugdbescherming Amsterdam tot voogd was benoemd.

De minderjarige verblijft sinds oktober 2020 bij pleegouders en er heeft sinds januari 2022 geen omgang meer plaatsgevonden tussen de ouders en het kind. De ouders vroegen om een regeling voor beeldbellen en bezoek, terwijl de GI verweer voerde. De vader was niet verschenen op de zitting.

Partijen kwamen overeen een voorlopige omgangsregeling te treffen voor drie maanden, waarbij de ouders om de week een videofragment en een kaartje aan het kind sturen via de GI of pleegzorgmedewerker, die de geschiktheid beoordeelt en de reactie van het kind observeert. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en hield de beslissing over de definitieve omgangsregeling pro forma aan tot 1 april 2026, in afwachting van evaluatie en mogelijke vervolgafspraken.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast met om de week videofragmenten en kaartjes, en houdt de definitieve regeling pro forma aan tot 1 april 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8214
Zaaknummer: C/09/675740
Datum beschikking: 8 januari 2026

Omgang

Beschikking op het op 12 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam,
en,

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Oostenrijk,
advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Amsterdam,

hierna te noemen: de GI.

[de pleegmoeder] ,

de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

[de pleegvader] ,

de pleegvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 21 november 2025 van de GI;
  • het verweerschrift van de GI.
Op 4 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl als waarnemer van mr. V. de Roo;
  • [naam] , namens de GI;
  • de pleegmoeder;
  • de pleegvader.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de zitting.
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] verblijft sinds oktober 2020 feitelijk bij de pleegouders.
- Na 13 januari 2022 heeft er geen omgang meer plaatsgevonden tussen de ouders en [minderjarige] . De ouders ontvangen wel maandelijks een verslag met foto’s van de GI.
- Bij beschikking van 3 augustus 2022 van de rechtbank Amsterdam is het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en is de GI benoemd tot voogd(en) over haar.
- De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. Van de vader is geen nationaliteit bekend.

Verzoek en verweer

De ouders verzoeken:
  • een omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] vast te stellen, inhoudende dat de ouders elke woensdag om 13:00 uur of 15:00 uur beeldbellen met [minderjarige] voor de duur van vijftien minuten, waarbij de omgang wordt opgebouwd naar een regeling waarbij de ouders drie keer per week beeldbellen met [minderjarige] en de ouders haar in Nederland bezoeken;
  • dan wel een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vernemen behoren vast te stellen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De GI heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vastlegging van een omgangsregeling.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder, de pleegouders en de GI hebben op de zitting afspraken gemaakt. Zij zijn de volgende
voorlopigeomgangsregeling overeengekomen:
  • één keer per twee weken zullen de ouders een videofragment van zichzelf opnemen en aan de GI of de betrokken pleegzorgmedewerker sturen. Deze zal vervolgens beoordelen of de video geschikt is voor [minderjarige] . Indien dit het geval is, wordt de video aan haar getoond, in de aanwezigheid van de GI of de pleegzorgmedewerker, zodat haar reactie kan worden waargenomen;
  • in de andere week, dus de week daarop, zullen de ouders een kaartje aan [minderjarige] sturen. De GI of de pleegzorgmedewerker zal beoordelen of het kaartje geschikt is voor [minderjarige] . Indien dit het geval is, zal zij ervoor zorgen dat het bij [minderjarige] terechtkomt.
Daarbij zijn partijen overeengekomen dat deze regeling voor de duur van drie maanden – uiterlijk tot 1 maart 2026 – geldt. Gedurende deze periode zullen partijen evalueren hoe de voorlopige omgangsregeling verloopt en of er vervolgafspraken kunnen worden gemaakt, waarbij het belang van [minderjarige] vooropstaat. In afwachting hiervan verzoeken partijen de beslissing ten aanzien van de definitieve omgangsregeling pro forma aan te houden tot 1 april 2026.
De rechtbank zal, conform de overeenstemming tussen partijen, een
voorlopigeomgangsregeling vaststellen. Hierbij merkt de rechtbank op dat de GI een verzoek heeft ingediend om de voogdij over te dragen naar Jeugdbescherming West. Totdat hierover is beslist, gaat de rechtbank ervan uit dat de huidige voogd van [minderjarige] uitvoering zal geven aan de voorlopige omgangsregeling.
De beslissing ten aanzien van de definitieve omgangsregeling zal de rechtbank pro forma aanhouden tot 1 april 2026, in afwachting van het verloop van de voorlopige omgangsregeling. De rechtbank hoopt in het belang van [minderjarige] dat partijen erin zullen slagen om – zonder tussenkomst van de rechtbank – vervolgafspraken te maken.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt een voorlopige omgangsregeling, waarbij de ouders:
  • één keer per twee weken een videofragment van zichzelf zullen opnemen en aan de GI of de betrokken pleegzorgmedewerker sturen. Deze zal vervolgens beoordelen of de video geschikt is voor [minderjarige] . Indien dit het geval is, wordt de video aan haar getoond, in de aanwezigheid van de GI of de pleegzorgmedewerker, zodat haar reactie kan worden waargenomen;
  • in de andere week, dus de week daarop, een kaartje aan [minderjarige] zullen sturen. De GI of de pleegzorgmedewerker zal beoordelen of het kaartje geschikt is voor [minderjarige] . Indien dit het geval is, zal zij ervoor zorgen dat het bij [minderjarige] terechtkomt;
*
bepaalt dat partijen zich uiterlijk op de hierna genoemde pro forma datum uitlaten over het verloop van de voorlopige omgangsregeling en de gewenste voortgang van de procedure;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de
definitieve omgangsregelingaan tot
1 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 januari 2026.