Verzoeker, geboren in Syrië en van Palestijnse afkomst, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn staatloosheid. Hij vluchtte in 2019 uit Syrië via Turkije naar Nederland en kreeg in 2023 een verblijfsvergunning asiel. Tijdens de procedure overlegt hij diverse documenten die zijn afkomst en verblijf bevestigen.
De rechtbank beoordeelt de nationaliteitsstatus van verzoeker ten aanzien van de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving verleent nationaliteit via de vader, wat in dit geval niet aannemelijk is. Ook de Turkse nationaliteitswetgeving is niet van toepassing op verzoeker.
De rechtbank concludeert dat verzoeker niet door enige staat als onderdaan wordt beschouwd en stelt daarom zijn staatloosheid vast. Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen en de Staat wordt niet veroordeeld in de proceskosten.