ECLI:NL:RBDHA:2026:2208

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/676982 / FA RK 24-8819
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over hoofdverblijfplaats, gezamenlijk gezag, zorgregeling en kinderalimentatie voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde op 8 januari 2026 een verzoek van de moeder betreffende de hoofdverblijfplaats, het gezag, de zorgregeling en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind, geboren in 2017. De ouders hebben de Poolse nationaliteit en het kind verblijft in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is.

De moeder verzocht onder meer om de hoofdverblijfplaats bij haar vast te stellen, gezamenlijk gezag toe te wijzen aan beide ouders, een zorgregeling te treffen en kinderalimentatie vast te stellen. De vader voerde verweer en deed tevens zelfstandige verzoeken. Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over de zorgregeling en kinderalimentatie.

De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind zich niet verzet tegen de hoofdverblijfplaats bij de moeder en kende het gezamenlijk gezag toe aan beide ouders, conform het uitgangspunt van de wet. De zorgregeling omvat vaste verblijfsdagen bij de vader, telefonische contacten, en een vakantie- en feestdagenregeling met duidelijke afspraken. De vader is verplicht €99 per maand kinderalimentatie te betalen, met ingang van de datum van de beschikking.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen. De minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zich uit te laten over de verzoeken.

Uitkomst: De rechtbank stelt de hoofdverblijfplaats bij de moeder vast, kent gezamenlijk gezag toe, stelt een zorgregeling vast en legt kinderalimentatie van €99 per maand op aan de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8819
Zaaknummer: C/09/676982
Datum beschikking: 8 januari 2026

Hoofdverblijfplaats, gezag, zorgregeling en kinderalimentatie

Beschikking op het op 10 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken;
  • het F9-formulier van 21 november 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 4 december 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verzoeken, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Op 4 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk B. Karpinska;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door een tolk A. Glinka;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft [de minderjarige] erkend.
- De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
- De ouders hebben beiden de Poolse nationaliteit. [de minderjarige] heeft ook de Poolse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – na wijziging – :
  • te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
  • te bepalen dat de vader met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de moeder € 500,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans zodanig bedrag en vanaf zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:
  • de vader te belasten met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] ;
  • primair:de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te bepalen bij de vader;
  • subsidiair:tussen de vader en [de minderjarige] een omgangs- c.q. zorgregeling te bepalen, waarbij [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
- wekelijks op dinsdag na school tot 19:00 uur;
- wekelijks op donderdag na school tot vrijdagochtend naar school;
- om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur;
- telefonisch contact op maandag en woensdag;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
- althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader – welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn het erover eens dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Omdat de rechtbank niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en bepalen dat [de minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij haar heeft.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot gezamenlijk gezag.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders hebben de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] verdeeld. In dat kader is de moeder ermee akkoord dat de vader gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] zal worden belast.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en acht dit in het belang van [de minderjarige] . Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, toewijzen.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders hebben op de zitting afspraken gemaakt over de zorgregeling. Zij zijn overeengekomen dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
  • wekelijks op dinsdag na school tot 19:00 uur;
  • wekelijks op donderdag na school tot vrijdagochtend naar school;
  • om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur;
Daarbij zal de vader op maandag en woensdag telefonisch contact hebben met [de minderjarige] .
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen zijn de ouders de volgende regeling overeengekomen:
  • in de grote vakantie verblijft [de minderjarige] in een even jaar bij de vader in week 1 t/m 3 en bij moeder in week 4 t/m 6. In een oneven jaar is dat andersom;
  • in de voorjaarsvakantie, de meivakantie en de herfstvakantie zal de reguliere (wekelijkse) zorgregeling doorlopen, tenzij een ouder met [de minderjarige] op vakantie wil. In dat geval vindt voorafgaand overleg tussen de ouders plaats;
  • de kerstvakantie en de feestdagen in de kerstvakantie verdelen de ouders jaarlijks in goed onderling overleg;
  • [de minderjarige] viert haar verjaardag daar waar zij conform de overeengekomen (reguliere) zorgregeling die dag verblijft. De andere ouder viert haar verjaardag op een andere dag.
De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij de eerste week van de kerstvakantie in 2025 vrij kan vragen, zodat [de minderjarige] in die week bij haar kan verblijven en in de tweede week bij de vader. De vader heeft hiermee ingestemd.
De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen de ouders een zorgregeling, inclusief vakantie- en feestdagenregeling, vaststellen.
Afgeven paspoort
Ter zitting is gebleken dat de vader het paspoort van [de minderjarige] inmiddels aan de moeder heeft gegeven. Gelet daarop heeft de moeder haar verzoek ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer over hoeft te beslissen. Hierbij merkt de rechtbank op dat zij ervan uitgaat dat de moeder het paspoort van [de minderjarige] beheert en dit aan de vader zal verstrekken als hij het nodig heeft om met [de minderjarige] met vakantie te gaan.
Kinderalimentatie
De ouders hebben op de zitting afspraken gemaakt over de kinderalimentatie. Zij zijn overeengekomen dat de vader, met ingang van de datum van deze beschikking, een bedrag van € 99,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen ten behoeve van [de minderjarige] . De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen de ouders een kinderalimentatie vaststellen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder;
*
bepaalt dat de vader gezamenlijk met de moeder wordt belast met het gezag over [de minderjarige] ;
*
bepaalt een zorgregeling, waarbij [de minderjarige] :
  • wekelijks op dinsdag na school tot 19:00 uur bij de vader verblijft;
  • wekelijks op donderdag na school tot vrijdagochtend naar school bij de vader verblijft;
  • om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur bij de vader verblijft;
  • wekelijks op maandag en woensdag telefonisch contact heeft met de vader;
*
bepaalt de volgende vakantie- en feestdagenregeling:
  • in de grote vakantie verblijft [de minderjarige] in een even jaar bij de vader in week 1 t/m 3 en bij moeder in week 4 t/m 6. In een oneven jaar is dat andersom;
  • in de voorjaarsvakantie, de meivakantie en de herfstvakantie zal de reguliere (wekelijkse) zorgregeling doorlopen, tenzij een ouder met [de minderjarige] op vakantie wil. In dat geval vindt voorafgaand overleg tussen de ouders plaats;
  • de kerstvakantie en de feestdagen in de kerstvakantie verdelen de ouders jaarlijks in goed onderling overleg. Daarbij geldt dat [de minderjarige] in de eerste week van de kerstvakantie in 2025 bij de moeder verblijft en in de tweede week bij de vader;
  • [de minderjarige] viert haar verjaardag daar waar zij conform de overeengekomen (reguliere) zorgregeling die dag verblijft. De andere ouder viert haar verjaardag op een andere dag;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 8 januari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 99,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 januari 2026.