ECLI:NL:RBDHA:2026:2176

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.48282
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 29 VwArt. 30b VwArt. 31 VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige familieproblemen bevestigd

Eiser, een Egyptische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege familieconflicten die zouden leiden tot gevaar voor zijn veiligheid. Verweerder wees de aanvraag af omdat de verklaringen over de familieproblemen niet geloofwaardig waren en eiser zijn asielaanvraag niet tijdig had ingediend.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser over de familieruzie onvoldoende samenhangend en aannemelijk waren. Eiser kon niet duidelijk maken waarom hij vanwege de familieproblemen moest vluchten terwijl de rest van zijn familie in Egypte verbleef. Ook waren er tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over het moment en de reden van het aanvragen van asiel.

Hoewel het beroep gegrond werd verklaard vanwege een onterecht opgelegd terugkeerbesluit en inreisverbod, bleef de afwijzing van de asielaanvraag in stand. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser.

De uitspraak benadrukt het belang van geloofwaardige en samenhangende verklaringen bij asielaanvragen en bevestigt dat het niet tijdig aanvragen van asiel een negatieve invloed kan hebben op de geloofwaardigheid.

Uitkomst: Afwijzing asielaanvraag bevestigd; terugkeerbesluit en inreisverbod ingetrokken; proceskosten toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48282

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Inleiding

Bij besluit van 30 september 2025 (bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

Het asielrelaas
1. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Hij behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. De families van eisers ouders hebben al meer dan 20 jaar een conflict als gevolg van onenigheden over werk. Sinds 2003/2004 zijn deze problemen verergerd en hebben er meerdere incidenten plaatsgevonden. Zo heeft de vader van eiser zijn oog verloren als gevolg van een vechtpartij en heeft een neef van vaderskant vier vingers verloren. Eiser is in 2018 naar Libanon vertrokken om de familieproblemen te ontlopen. In september 2021 is eiser teruggekeerd naar Egypte omdat hij dacht dat het veilig was en omdat hij zijn familie wilde zien. In maart 2022 is eiser bewusteloos geslagen door zijn neef van moederskant. Eiser heeft toen zes uur in een coma gelegen. Op verzoek van zijn ouders heeft eiser Egypte verlaten en is hij naar Nederland vertrokken. Eiser vreest bij terugkeer voor de familie van zijn moeder.
Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
Een Egyptische ID-kaart
Medische documenten in het Arabisch
Het besluit van 14 maart 2025
2. In het besluit van 14 maart 2025 heeft verweerder de volgende asielmotieven vastgesteld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Problemen door familie
2.1.
Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief acht verweerder niet geloofwaardig omdat eiser niet heeft voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c, d, en e, van de Vw. Zo heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd zonder daarvoor een goede verklaring te hebben en vormen eisers verklaringen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft volgens verweerder namelijk op meerdere punten tegenstrijdig en wisselend verklaard. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij hiervoor geen goede reden. Volgens verweerder kan eiser mede op basis van het voorgaande in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Het eerste geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
2.2.
Bij uitspraak van 9 mei 2025 heeft deze rechtbank het beroep van eiser voor zover dat is gericht tegen het besluit van 14 maart 2025 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd (NL24.30789). Daarbij heeft de rechtbank in de kern overwogen dat verweerder de tegenstrijdige verklaringen van eiser omtrent de reden van vertrek en het doen van aangifte niet had mogen tegenwerpen. Verweerder heeft hierbij namelijk eisers verklaringen die zien op zijn asielmotief uit het proces-verbaal en de verklaringen naar aanleiding van de korte uitvraag naar de asielmotieven in het aanmeldgehoor betrokken, hetgeen onderdeel uitmaakt met de aanmeldfase. Dit is in strijd is met artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft het besluit van 14 maart 2025 hiermee onvoldoende gemotiveerd.
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit, dat is genomen naar aanleiding van de rechtbankuitspraak van 9 mei 2025, heeft verweerder de volgende asielmotieven vastgesteld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Problemen vanwege een familieruzie
3.1.
Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht omdat eiser niet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c, d, en e, van de Vw, voldoet. Volgens verweerder verklaart eiser onduidelijk over de familieproblemen en onderbouwt hij het gevaar waar hij mee te maken heeft onvoldoende. Ook volgt verweerder niet dat eiser vanwege de familieproblemen is gevlucht terwijl de rest van zijn familie in Egypte verblijft. Verweerder werpt eiser verder tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij tegenstrijdig verklaart over waarom hij drie maanden in Nederland is verbleven voordat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Eisers verklaringen over het incident waarbij hij in het ziekenhuis is beland komen volgens verweerder niet overeen met de aangeleverde documenten. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij in 2022 in coma heeft gelegen terwijl in de overgelegde documenten wordt gesproken over 2023. Mede gelet hierop werpt verweerder eiser tot slot tegen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
3.2.
Het eerste geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Vluchtelingenverdrag of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Beoordeling door de rechtbank

Verklaringen zijn (niet) samenhangend en aannemelijk (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw)
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn verklaringen over zijn problemen met zijn familie samenhangend en aannemelijk zijn. Eiser heeft hierover verklaard wat hij weet en heeft ook geprobeerd om aan meer informatie te komen door zijn vader en neven naar de problemen te vragen. Het is onduidelijk wat voor verklaringen verweerder nog meer verlangt. Dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd met welk gevaar hij te maken heeft, hetgeen volgens eiser hetzelfde is als verweerders tegenwerping dat hij onvoldoende duidelijk heeft verklaard over zijn familieproblemen, kan hem daarom ook niet worden tegengeworpen. Eiser heeft verder niet tegenstrijdig verklaard over zijn voornemen om asiel aan te vragen. Eiser heeft namelijk uitgelegd dat hij niet van plan was om in Nederland te blijven en dat pas bij zijn staandehouding is uitgelegd dat hij asiel kon aanvragen.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de hiervoor weergegeven beroepsgronden zich enkel richten op verweerders standpunt dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Eiser heeft dit op de zitting ook bevestigd. In dit kader heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank allereerst op het standpunt kunnen stellen dat eiser onduidelijk en oppervlakkig heeft verklaard over zijn familieproblemen en de problemen die hij daardoor ondervindt. Zo heeft eiser verklaard dat er altijd conflicten waren (pagina 5 nader gehoor), dat er haat is tussen de familie van moederskant en de familie van vaderskant (pagina 7 nader gehoor) en dat de problemen zijn ontstaan over geld en business onderling. Eiser weet niet precies om wat voor werk het ging, behalve dat het ging om huizen en grond (pagina 8 en 9 nader gehoor). Eiser weet niet wanneer of waarom de onenigheden zijn ontstaan (pagina 8 nader gehoor). Op de vraag wat de familieleden waar eiser voor vreest precies van hem willen, antwoord eiser dat deze familieleden niet zo zeer iets van hem willen maar dat het gaat om een conflict tussen twee families die elkaar de hele tijd blijven opzoeken (pagina 16 nader gehoor). Verweerder wijst er niet ten onrechte op dat eiser is gevlucht vanwege zijn familieproblemen en dat deze problemen de kern van zijn asielrelaas vormen. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er van eiser mag worden verwacht dat hij meer uitgebreid en duidelijk kan verklaren over de familieproblemen en waarom hij daardoor gevaar loopt, temeer nu de problemen zich al meer dan 20 jaar voordoen en eiser jarenlang de tijd heeft gehad om hier meer informatie over te verkrijgen. Dat eiser alles zou hebben verteld wat hij weet, doet hier niet aan af. Verweerder heeft er in dit kader ook op kunnen wijzen dat eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn verblijf in Nederland continu contact met zijn moeder heeft en ook zijn vader af en toe spreekt (pagina 15 nader gehoor), zodat eiser ook in Nederland meer informatie had kunnen verschaffen over zijn familieproblemen. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan.
4.2.
Verweerder werpt eiser verder niet ten onrechte tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn voornemen om asiel aan te vragen, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Zo verklaart eiser op de vraag waarom hij geen asielaanvraag heeft ingediend toen hij na drie maanden in Nederland (september 2022) hoorde dat er in Egypte problemen waren, dat hij in het begin niet van plan was om in Nederland te blijven, dat hij wilde wachten tot het weer veilig was en dat hij asiel heeft aangevraagd toen bleek dat dit moeilijk zou zijn. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij pas asiel heeft aangevraagd bij zijn aanhouding (april 2023) omdat hij daarvoor niet wist dat hij asiel kon aanvragen (pagina 16 nader gehoor). Verweerder stelt terecht dat eiser hiermee enerzijds verklaart dat hij geen asiel in Nederland wilde aanvragen, maar anderzijds dat hij geen asiel heeft aangevraagd omdat hij niet wist dat dit kon. Dit is tegenstrijdig aan elkaar. Verweerder heeft eiser verder tegengeworpen dat het niet met elkaar rijmt dat eiser vanwege de familieproblemen is gevlucht, terwijl de rest van zijn familie in Egypte verblijft. Volgens verweerder valt niet in te zien waarom eiser genoodzaakt was Egypte te verlaten, terwijl eisers familie gedurende de conflicten in Egypte kan verblijven. Eiser heeft deze tegenwerping niet bestreden. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze tegenwerpingen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen vanwege de familieruzie.
4.3.
Al gelet op de hiervoor vermelde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen vanwege een familieruzie geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. De rechtbank laat hetgeen verweerder op de zitting over de medische stukken heeft aangevoerd daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Vreemdeling kan in grote lijnen (niet) als geloofwaardig worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw)
5. Verweerder werpt volgens eiser ten onrechte tegen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij zijn asielaanvraag niet meteen heeft ingediend en omdat hij geen asielaanvraag heeft ingediend in België, Frankrijk of Duitsland. Eiser wist namelijk niet dat hij asiel kon aanvragen in Nederland of in andere (Dublin) landen en zou op grond van de Dublinverordening ook gehouden zijn om asiel in Nederland aan te vragen. Daarnaast wilde eiser terugkeren naar Egypte wanneer de problemen waren gestopt, hetgeen niet is gebeurd
.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser niet direct asiel heeft aangevraagd zodra hij daar de mogelijkheid toe had. Eiser is immers op 7 juni 2022 Nederland ingereisd met een toeristenvisum, maar heeft pas op 13 april 2023 asiel aangevraagd. Verweerder stelt niet ten onrechte dat dit niet getuigt van de noodzaak om internationale bescherming te verkrijgen en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen. Verweerder wijst er verder niet ten onrechte op dat eiser heeft verklaard dat hij voor 13 april 2023 zonder verblijfsstatus en zonder asiel aan te vragen naar Duitsland, België en Frankrijk is gereisd (pagina 3 proces-verbaal). Ook dit getuigt niet van de noodzaak om internationale bescherming te verkrijgen. Dat, zoals eiser stelt, hij niet wist dat hij asiel kon aanvragen in Nederland of andere Dublinlanden en hij gehouden was om in Nederland asiel aan te vragen, heeft verweerder niet ten onrechte niet als verschoonbare reden gezien. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt kunnen stellen dat van eiser, die stelt te vrezen voor zijn leven, verwacht mag worden dat hij informatie opzoekt over de mogelijkheid voor asiel, temeer nu eiser in staat was om een toeristenvisum te regelen en zich binnen Europa wist te verplaatsen. Dat eiser nu stelt dat hij niet voornemens was om asiel aan te vragen heeft verweerder, zoals hiervoor ook is overwogen, niet ten onrechte tegenstrijdig gevonden aan eisers verklaring dat hij niet wist dat hij asiel kon aanvragen (zie overweging 4.2.) en doet hier dan ook niet aan af.
5.2.
Al gelet op de hiervoor vermelde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie tweede asielmotief
6. Uit hetgeen onder rechtsoverweging 4.1., 4.2., 4.3., 5.1. en 5.2. is overwogen, volgt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw. Daarnaast heeft verweerder eiser ook onbestreden tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en d, van de Vw. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn problemen vanwege een familieruzie ongeloofwaardig zijn. Nu dit asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, levert dit geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Dit betekent dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
7. Eiser heeft inmiddels een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend. Gelet hierop zijn partijen het erover eens dat er ten onrechte een terugkeerbesluit en een inreisverbod aan eiser zijn opgelegd. Verweerder heeft op de zitting het bestreden besluit ingetrokken voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op hetgeen onder 7 is overwogen is het beroep gegrond vanwege een zorgvuldigheidsgebrek. Gelet op hetgeen onder 6 is overwogen, kan het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag, wel in stand blijven.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • laat het bestreden besluit in stand voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.