ECLI:NL:RBDHA:2026:2173

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.47314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 29 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering politieke vervolgingsvrees

Eiser, een Georgische staatsburger, vroeg asiel aan vanwege zijn politieke activiteiten en vrees voor vervolging bij terugkeer. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser slechts een matige politieke overtuiging zou hebben en geen gegronde vrees voor vervolging. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de politieke activiteiten als marginaal worden gezien en waarom het ontbreken van politieke activiteiten in Nederland een matige overtuiging zou bevestigen.

Daarnaast heeft verweerder nagelaten relevante landeninformatie over het optreden tegen demonstranten in Georgië te betrekken bij de beoordeling. Ook is eiser niet gevraagd naar zijn toekomstige politieke activiteiten bij terugkeer, wat in strijd is met de geldende richtlijnen. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiser aanvullend gehoord moet worden. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en onzorgvuldige besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47314

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 september 2025 de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser heeft de Georgische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Hij heeft op 22 juli 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
Het asielrelaas
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser wil zich inzetten voor een rechtsstaat en solidariteit in Georgië. Hij is daartoe al van jongs af aan maatschappelijk betrokken, onder meer door vrijwilligerswerk te doen. Vanaf 2018 heeft eiser deelgenomen aan demonstraties in Georgië. In de periode van november 2024 tot en met juni 2025 heeft hij bijna dagelijks gedemonstreerd. Eiser is door familie en bekenden gewaarschuwd om te stoppen met demonstreren omdat hij hierdoor problemen zou krijgen. Dit heeft eiser als bedreigingen ervaren. In juni 2025 is eiser op advies van zijn vader uit Georgië vetrokken. Bij terugkeer vreest eiser voor vervolging door de Georgische autoriteiten.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Maatschappelijke betrokkenheid en activiteiten.
3.1.
Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder neemt aan dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar vindt het niet aannemelijk dat eiser om die reden een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daartoe is in het bestreden besluit overwogen dat eiser een matige politieke overtuiging heeft. Eiser heeft niet diepgaand verklaard over zijn overtuiging. Daarbij worden zijn politieke activiteiten als marginaal aangemerkt. In dit kader weegt verweerder mee dat eiser slechts deelnam aan de demonstraties zonder daarbij een bijzondere rol te vervullen. Eiser heeft tot op heden ook geen directe problemen ondervonden van zijn politieke activiteiten, ondanks dat hij acht maanden lang op (bijna) dagelijkse basis heeft meegedaan aan demonstraties. Eiser is eerder geen slachtoffer geworden van vervolging. Dat hij is gewaarschuwd door familie en kennissen, betekent niet dat hij in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat. Eiser heeft zelf ook verklaard dat hij op dit moment niet wordt vervolgd door de autoriteiten van Georgië. Bovendien heeft hij legaal en probleemloos kunnen uitreizen. Verder heeft eiser in Nederland nog geen politieke activiteiten verricht, terwijl hij hier al twee maanden verblijft. Verweerder vindt gezien de matige politieke overtuiging van eiser aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Georgië hoogstens in dezelfde mate politieke activiteiten zal verrichten als voorheen. Niet valt in te zien dat eiser zich op een actievere wijze zal uiten dan hij in het verleden heeft gedaan. Verweerder ziet geen grond om aan eiser een asielvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Omdat eiser ook geen reëel risico op ernstige schade loopt, komt hij evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Het beroep
4. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Georgië te vrezen heeft voor vervolging. Eiser stelt dat hij wel degelijk een sterke politieke overtuiging heeft. Zijn politieke activiteiten kunnen niet als marginaal worden aangemerkt en verweerder miskent ook dat hij geen gewone rol speelde tijdens de demonstraties, nu hij spandoeken met gewaagde teksten en de Georgische vlag droeg en hij verschillende keren tijdens demonstraties is geïnterviewd, wat op YouTube-filmpjes te zien is. Eiser heeft zich in Nederland nog niet politiek geuit, omdat hij op het moment van horen pas twee maanden in Nederland was en hij in die tijd last had van stress en de gebeurtenissen in Georgië nog moest verwerken. Verder heeft hij wel degelijk problemen ondervonden in Georgië. Verschillende mensen, die uit hoofde van hun functies op de hoogte konden zijn van eventuele dreigingen jegens eiser, hebben hem immers gewaarschuwd om te stoppen met demonstreren. Eiser verwijst naar landeninformatie, neergelegd in een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 9 december 2025 en stelt dat hieruit blijkt dat de Georgische autoriteiten steeds harder optreden tegen demonstranten. Instanties die zijn belast met handhaving hebben ruimere bevoegdheden gekregen om demonstranten te bestraffen. Ook gewone demonstranten hebben te maken met arrestaties en geweld. Gelet op deze informatie is te verwachten dat eiser bij terugkeer ook – opnieuw – problemen zal ondervinden.
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
Volgens het Informatiebericht 2024/10 Werkwijze politieke overtuiging (IB 2024/10) dient verweerder de vrees van een vreemdeling voor vervolging wegens zijn politieke overtuiging op individuele basis en per geval te verrichten. Met inachtneming van de relevante informatie over het land van herkomst moet worden beoordeeld of op grond van de gebleken (en dus geloofwaardig geachte) omstandigheden (zoals de verrichte activiteiten en de politieke overtuiging) aannemelijk is dat de vreemdeling in de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging staat of zal komen te staan en hierdoor een gegronde vrees heeft om daadwerkelijk te worden vervolgd bij terugkeer in zijn land van herkomst. De beoordeling is gericht op de sterkte van de overtuiging en de eventueel geloofwaardige verrichte activiteiten en de daaraan ontleende vrees bij terugkeer. Daarbij moet ook worden betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer stelt te willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Op grond van de individuele omstandigheden beoordeelt verweerder, op basis van de sterkte van de overtuiging en/of de reeds in land van herkomst of land van toevlucht verrichte activiteiten, of aannemelijk is dat de vreemdeling zich op die manier zal uiten en of hij of zij daardoor te vrezen heeft. De vreemdeling moet hierover dan ook bevraagd worden tijdens het gehoor.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Georgië geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de activiteiten die eiser in Georgië heeft verricht, door verweerder als marginaal worden bestempeld. Verweerder volgt eiser in zijn verklaring dat hij gedurende zo’n acht maanden bijna dagelijks heeft deelgenomen aan demonstraties. De duur van deze periode en de frequentie van het demonstreren roepen de vraag op waarom dit als marginaal wordt gezien, ook als aangenomen moet worden dat eiser een niet van andere demonstranten te onderscheiden rol had tijdens deze demonstraties en hij buiten het demonstreren geen andere politieke activiteiten heeft verricht. Voorts ziet de rechtbank zonder nadere motivering niet in waarom de omstandigheid dat eiser zich in Nederland nog niet politiek heeft geuit, zou onderstrepen dat hij slechts een matige politieke overtuiging heeft. Daarbij is van belang dat eiser erop heeft gewezen dat hij ten tijde van het nader gehoor nog maar twee maanden in Nederland was. Dit is een korte periode. Eiser heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij in de beginperiode last had van stress en dat hij zijn ervaringen uit zijn land van herkomst nog moest verwerken. Verweerder heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom onder de gegeven omstandigheden toch van eiser wordt verwacht dat hij zich in Nederland al politiek heeft geuit. Verder is verweerder er in het besluit vanuit gegaan dat eiser bij terugkeer naar Georgië hoogstens in dezelfde mate als voorheen politieke activiteiten zal verrichten. Deze aanname is gebaseerd op de door verweerder aangenomen matige politieke overtuiging van eiser, die op zijn beurt samenhangt met onder meer de marginale activiteiten in Georgië en het gebrek aan politieke activiteiten in Nederland. Nu uit het voorgaande echter volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers activiteiten in Georgië als marginaal beschouwd kunnen worden en waarom het achterwege blijven van politieke activiteiten in Nederland zou onderstrepen dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft, is daarmee ook de aanname over de wijze waarop eiser zich bij terugkeer politiek zal gaan uiten, onvoldoende gemotiveerd. Daar komt bij dat verweerder tijdens het nader gehoor eiser niet heeft gevraagd naar de activiteiten die hij bij terugkeer wil verrichten of hoe eiser anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Op dit punt is verweerders handelwijze niet in overeenstemming met IB 2024/10. De rechtbank stelt tot slot vast dat het bestreden besluit er geen blijk van geeft dat verweerder bij de vraag of aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat of zal komen te staan, relevante landeninformatie over Georgië heeft betrokken. Ter zitting heeft verweerder erkend dat dit niet is gebeurd. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat dit niet hoefde omdat de verklaringen van eiser over zijn politieke activiteiten al geloofwaardig zijn geacht, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Uit IB 2024/10 volgt namelijk duidelijk dat als is vastgesteld dat er sprake is van een geloofwaardige politieke overtuiging, en beoordeeld moet worden of er een gegronde vrees voor vervolging wegens die politieke overtuiging bestaat, verweerder in het kader van de beoordeling van de zwaarwegendheid relevante informatie over het land van herkomst moet betrekken. Dat dit in het geval van eiser niet is gebeurd, betekent dat het bestreden besluit ook op dit punt een gebrek kent.
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
7. Omdat de rechtbank geen mogelijkheid ziet om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, draagt de rechtbank verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Voordat verweerder opnieuw op de asielaanvraag beslist, moet verweerder eiser aanvullend horen, in ieder geval over de vraag welke activiteiten eiser bij terugkeer naar Georgië wil verrichten of hoe hij anderszins zijn politieke opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. De rechtbank geeft verweerder zestien weken de tijd om een nieuw besluit te nemen.
8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen zestien weken na dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.