Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2170

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11979018 EJ VERZ 25-83492 en 11983588 EJ VERZ 25-83507
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 7 sub g BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:677 lid 2 en 3 BWArt. 7:686a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet rechtsgeldig; transitievergoeding toegekend ondanks ernstig verwijtbaar handelen

De zaak betreft een werknemer die op staande voet werd ontslagen door de gemeente vanwege het afvuren van een luchtbuks op de woning van zijn buren, het bezit van verboden wapens en het aanvankelijk afleggen van een onjuiste verklaring aan de politie.

De werknemer werkte sinds 2011 voor de gemeente, eerst als zzp’er en vanaf 2017 in vaste dienst. Op 15 september 2025 loste hij een schot met een luchtbuks op het rolluik van de woning van zijn buren, waarbij het schot door het glas in de kinderkamer terechtkwam. Na een huiszoeking en verhoor gaf hij aanvankelijk een onjuiste verklaring, maar bekende later het incident.

De gemeente ontsloeg hem op staande voet wegens schending van de gedragscode, integriteit en het vertrouwen. De werknemer betwistte het ontslag en vorderde onder meer loonbetaling, billijke vergoeding en transitievergoeding. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was vanwege de dringende reden, ook al waren de gedragingen in de privésfeer. De transitievergoeding werd toegekend op grond van redelijkheid en billijkheid, ondanks het verwijtbare handelen.

De vordering van de gemeente tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding werd afgewezen omdat zij onvoorwaardelijk had toegezegd hier geen beroep op te doen. Beide partijen werden veroordeeld in hun proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig; de werknemer krijgt een transitievergoeding van €42.183,59 bruto toegekend.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda
Zaaknummer: 11979018 EJ VERZ 25-83492 en 11983588 EJ VERZ 25-83507
Beschikking van de kantonrechter d.d. 4 februari 2026 in de zaak van:
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij, tevens verwerende partij,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. A.J.C. van Bemmel,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
[gemeente],
kantoorhoudende te [plaats] ,
verwerende partij, tevens verzoekende partij,
hierna te noemen: [gemeente] ,
gemachtigde: mr. F.J. Bloem.

1.Het verloop van de procedures

1.1
De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken, uit welke stukken tevens het verloop van de procedures blijkt:
- het verzoekschrift van [partij A] , ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 21 november 2025;
- het verweerschrift van de [gemeente] , tevens houdende een voorwaardelijk verzoek strekkende tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
- het verzoekschrift van de [gemeente] , ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 27 november 2025;
- de brief met bijlagen d.d. 7 januari 2026 van mr. Van Bemmel;
- de brief met bijlagen d.d. 8 januari 2025 van mr. Bloem;
- het e-mailbericht d.d. 12 januari 2026 van mr. van Bemmel;
- de pleitnota van mr. Van Bemmel;
- de spreekaantekeningen van mr. Bloem;
- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van de zaken op 13 januari 2026.

2.De beoordeling

2.1
[partij A] verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
1. het ontslag op staande voet te vernietigen;
2. de veroordeling van [gemeente] om binnen 7 dagen na de datum van de ten deze te geven beschikking over te gaan tot de doorbetaling van het loon van [partij A] ad € 6.594,= (vermeerderd met het IKB en de arbeidsmarkttoeslag en eventuele overige emolumenten) bruto per maand, over de periode vanaf 22 september 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de maximale verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over de tot het moment van de beschikking verschuldigde bedragen;
Subsidiair:
3. voor recht te verklaren dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet;
4. [gemeente] te veroordelen om binnen zeven dagen na de datum van de ten deze te geven beschikking aan [partij A] te betalen de billijke vergoeding ad € 75.000,= bruto;
5. [gemeente] te veroordelen om binnen zeven dagen na de datum van de ten deze te geven beschikking aan [partij A] te betalen de transitievergoeding ad € 42.183,59 bruto;
6. [gemeente] te veroordelen om binnen zeven dagen na de datum van de ten deze geven beschikking aan [partij A] te betalen de vergoeding wegens onregelmatige opzegging ad € 28.932,87 bruto;
Meer subsidiair:
7. voor het geval het ontslag rechtsgeldig is verleend, [gemeente] te veroordelen om binnen zeven dagen na de datum van de ten deze te geven beschikking aan [partij A] te betalen de transitievergoeding ad € 42.183,59 bruto;
Primair, subsidiair en meer subsidiair:
8. [gemeente] te veroordelen tot gelijktijdige betaling aan [partij A] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;
9. te bepalen dat [gemeente] gelijktijdig met en voor de uit te keren bruto bedragen een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan [partij A] zal verstrekken;
met veroordeling van [gemeente] in de kosten van de procedure en de nakosten.
2.2
[partij A] legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Hij is geboren op [geboortedatum] 1981. Hij heeft vanaf juli 2011 als zzp’er voor [gemeente] gewerkt en heeft op 1 januari 2017 een vaste aanstelling bij haar gekregen in de functie van [functie 1] . Per 1 januari 2019 is hij benoemd in de functie van [functie 2] . Vanaf 1 oktober 2023 heeft hij de functie [functie 3] . Op zijn overeenkomst is de CAO Gemeenten van toepassing. Voorts is daarop van toepassing [gedragscode] . [partij A] heeft tijdens zijn dienstverband steeds goed gefunctioneerd. [partij A] ervaart sinds jaren ernstige overlast, veroorzaakt door zijn buren. In verband daarmee zijn diverse bestuursrechtelijke procedures gevoerd. Op maandagavond 15 september 2025 was [partij A] bezig met de voorbereiding van een bij de Raad van State aanhangige procedure over een onrechtmatig aangelegde uitrit bij zijn buren. Vanaf zijn werkplek had hij uitzicht op de woning van zijn buren. Hun woning is op een afstand van ongeveer 100 meter van zijn woning gelegen. [partij A] heeft zijn buren die dag zien vertrekken en niet zien terugkomen. Het stormde die dag fors. Allerhande losliggend afval van de buren kwam op het terrein van [partij A] terecht. [partij A] had enkele dagen daarvoor zijn luchtbuks verkocht en deze zou die avond worden afgehaald. Op het moment dat de koper zich meldde, heeft [partij A] de luchtbuks gepakt. In een plotselinge opwelling heeft hij met de luchtbuks op het rolluik van de woning van zijn buren geschoten, waardoor dit rolluik is beschadigd. Direct daarna besefte hij dat het niet juist was wat hij had gedaan en dat hij zich teveel door zijn emoties had laten leiden. Op 16 september 2025 rond 13.00 uur, kort nadat hij thuis was gekomen van de zitting bij de Raad van State, heeft de politie zich bij [partij A] aan de deur gemeld voor het doen van een huiszoeking. [partij A] en zijn partner zijn toen direct gescheiden en afgevoerd naar het politiebureau te Gouda. [partij A] is aan het begin van de avond verhoord. Hij heeft toen niet verklaard dat hij met zijn luchtbuks op de woning van zijn buren had geschoten. De volgende dag heeft hij alsnog verklaard dat hij één schot met de luchtbuks had gelost in de richting van het rolluik van zijn buren. Hij kreeg die dag te kampen met medische klachten, waarvoor hij het ziekenhuis heeft bezocht. Hij is na zijn bezoek aan het ziekenhuis teruggekeerd naar het politiebureau en is op 18 september 2025 vrijgelaten. Vrijwel direct daarna heeft hij zijn leidinggevende, [naam 1] , gebeld. Hij heeft hem meegedeeld wat er was gebeurd. Op 19 september 2025 heeft [partij A] daarover met [naam 1] gesproken. Hij voorzag wat het dienstverband van [partij A] betreft geen problemen. Op 22 september 2025 heeft [partij A] gesproken met [naam 2] (directeur ruimtelijk domein) en [naam 3] (medewerker HR) en daarna, in de middag, met de gemeentesecretaris. Van hem heeft [partij A] te horen gekregen dat hij op staande voet werd ontslagen. Dit is hem bij brief d.d. 23 september 2025 bevestigd. In die brief is onder meer geschreven:
“De in deze brief genoemde feiten en omstandigheden die voor ons een dringende reden voor een ontslag op staande voet hebben opgeleverd, vat ik hierna samen:
i. het (zonder geldige reden) afvuren van een (vuur)wapen, dan wel luchtdrukwapen, op een bewoonde woning, waarbij je het risico hebt genomen op letsel voor de bewoners, waaronder jonge kinderen, hetgeen een zeer ernstig feit is en mogelijk een strafbaar feit oplevert;
ii. het in bezit hebben van verboden wapens (te weten traangas of pepperspray; en een stroomstootwapen);
iii. het afleggen van een aanvankelijk onjuiste verklaring tegenover de politie; en
iv. het aanzetten van jouw echtgenote, tevens in dienst van de gemeente, tot het doen van een valse ziekmelding en het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie aan de werkgever.
(…)
Kortom: met jouw gedragingen heb je de in de gedragscode verankerde kernwaarden van loyaliteit, integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid geschonden (…).
Jouw gedrag leidt er daarnaast toe dat het vertrouwen in jou als ambtenaar onherroepelijk en onherstelbaar is geschonden. Tevens leveren deze gedragingen ernstige risico’s op voor de veiligheid en de reputatie van de gemeente.
(…)
Bij het nemen van mijn besluit heb ik rekening hebben gehouden met jouw persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de financiële gevolgen dit voor jou zal hebben en de consequenties voor jouw verdere loopbaan. Deze afwegingen hebben echter niet tot een andere conclusie dan ontslag op staande voet geleid.
(…)
Hoewel het ontslag op staande voet meebrengt dat je jegens de [gemeente] in beginsel schadeplichtig bent op grond van artikel 7:677 lid 2 en Pro 3 BW, en de gemeente daarmee aanspraak zou kunnen maken op de gefixeerde schadevergoeding (…), hebben wij besloten van het vorderen van deze vergoeding af te zien. Dit gezien de impact die deze situatie op jou heeft”.
Bij de brief d.d. 23 september 2025 ontving [partij A] een conceptverslag van de bespreking op 22 september 2025. In dat verslag mist hij dat hij reeds op donderdagavond 18 september 2025 het initiatief heeft genomen om [naam 1] te bellen. In het verslag is voorts niet vermeld dat [partij A] heeft aangegeven dat hij door toedoen van zijn buren regelmatig schade heeft. Hij heeft gezegd dat in een flits de gedachte bij hem op popte om een keer iets terug te doen. Zijn bedoeling was dat er een deukje in het rolluik zou ontstaan. Hij had nooit gedacht dat er als gevolg van het schot een gat in het rolluik zou ontstaan. Tijdens het lossen van het schot wist [partij A] zeker dat zijn buren niet thuis waren. De verklaring die [partij A] aanvankelijk bij de politie heeft afgelegd, was correct, zij het dat hij daarin heeft weggelaten en dat hij degene was die het schot had gelost. [partij A] was tijdens het verhoor verward en erg gespannen. Na een nacht slapen en medicatie heeft hij om een nieuw verhoor gevraagd. Tijdens dat verhoor heeft hij volledig uit de doeken gedaan wat er was gebeurd. Het is juist dat [partij A] een taser en pepperspray in huis had. Mogelijk al vijftien jaar geleden heeft hij deze zaken in Duitsland aangeschaft, waarna zij in een kast zijn beland. Nadat de politie de taser en pepperspray had gevonden, heeft [partij A] daar dadelijk afstand van gedaan. Dat het om verboden wapens ging, wist [partij A] niet. Of die middelen nog functioneerden, weet hij evenmin. Het is niet juist dat [partij A] zijn vrouw heeft gevraagd om hem, toen hij in de cel zat, ziek te melden. Dat had vanuit de cel ook niet gekund. De vrouw van [partij A] heeft hem op eigen initiatief ziek gemeld. In de ontslagbrief is vermeld dat [gemeente] op 18 september 2025 een anonieme melding heeft ontvangen over [partij A] en zijn partner, waarin is vermeld dat hij op maandag 15 september 2025 met een luchtbuks meerdere schoten op de woning van zijn buren zou hebben gelost en daarom was aangehouden. Dat bericht heeft [partij A] pas gezien nadat hij contact had gehad met [naam 1] . Dat het schietincident anoniem ook bij [gemeente] was gemeld, heeft [partij A] pas vernomen tijdens het gesprek van 22 september 2025. De gedragingen waar het ten deze om gaat, zijn gedragingen in de privésfeer. Dat levert in het algemeen geen dringende reden op voor ontslag. [partij A] heeft altijd als integer ambtenaar gehandeld. Het feit dat hij eenmalig in een emotionele opwelling met één (enkel) schot met de luchtbuks over de schreef is gegaan, levert geen dringende reden op. Het ontslag dient vernietigd te worden. Voor zover het ontslag niet wordt vernietigd, maakt hij aanspraak op de betaling van de transitievergoeding.
2.3
[gemeente] verzoekt om de afwijzing van de verzoeken van [partij A] , kosten rechtens. Daartoe voert zij het volgende aan. Zij heeft op 18 september 2025 een anonieme melding ontvangen over [partij A] . Daarin stond onder meer dat hij op 15 september 2025 met een luchtbuks meerdere schoten op de woning van zijn buren zou hebben gelost en vervolgens was aangehouden door de politie. Op 17 september 2025 is [partij A] door zijn vrouw ziek gemeld bij zijn leidinggevende. Op donderdag 18 en vrijdag 19 september 2025 heeft [partij A] uit eigener beweging aan [naam 1] verklaard dat hij op 15 september 2025 in een vlaag van verstandsverbijstering met een luchtbuks had geschoten op de woning van zijn buren, dat hij was aangehouden door de politie en dat de politie in zijn woning een stroomstootwapen en traangas had gevonden, welke wapens verboden zijn bij de Wet Wapens en Munitie. Het huis waarop [partij A] heeft geschoten wordt bewoond door een gezin met kleine kinderen. De met de luchtbuks afgeschoten kogel is door het rolluik en door het glas gegaan en is geëindigd in de kinderkamer van de buren. [partij A] heeft aan [naam 1] gezegd dat hij zijn vrouw had gevraagd hem ziek te melden, zodat hij de werkelijke reden van zijn afwezigheid (zijn inverzekeringstelling) kon verzwijgen. Op 22 september 2022 hebben de directeur ruimtelijk domein en een HR adviseur met [partij A] gesproken. Hij heeft toen opnieuw bevestigd dat het schietincident had plaatsgevonden, dat de politie in zijn huis pepperspray (geen traangas) en een stroomstootwapen had gevonden en dat hij zijn vrouw had gevraagd om een valse ziekmelding te doen. Na dit gesprek heeft [gemeente] zich beraden op de situatie, waarna zij dezelfde dag het besluit heeft genomen om [partij A] op staande voet te ontslaan. Dat is hem die dag meegedeeld en vervolgens schriftelijke bevestigd. De in de ontslagbrief beschreven gedragingen zijn ernstig en niet zoals van een integer ambtenaar en werknemer mag worden verwacht. Bij brief d.d. 6 november 2025 heeft het Openbaar Ministerie aan [gemeente] laten weten dat [partij A] is aangehouden op verdenking van vernieling en bedreiging en daarvoor zal worden gedagvaard. [partij A] heeft het schietincident bij zijn leidinggevende gemeld nadat hij, zoals hij op 19 september 2025 tegen zijn leidinggevende heeft gezegd, had vernomen dat daarover een anonieme melding was gedaan. Zowel tijdens het op 19 september 2022 gevoerde gesprek als tijdens het op 22 september 2025 gevoerde gesprek heeft [partij A] verteld dat hij in eerste instantie niet bij de politie heeft verklaard dat hij met de luchtbuks op de woning van zijn buren had geschoten, maar dat een vriend, die de luchtbuks wilde kopen, het schot heeft gelost. De aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen staan wat [gemeente] betreft vast. [partij A] heeft zich, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht, niet integer gedragen. Integer gedrag wordt niet alleen tijdens werktijd verwacht, maar ook in privétijd. Door met een luchtbuks op de woning van zijn buren te schieten, heeft [partij A] de wet overtreden. [partij A] heeft het risico genomen dat hij op de kinderkamer van zijn buren schoot terwijl daarin kinderen aanwezig waren. Het incident heeft blijkens de anonieme melding (lokale) bekendheid gekregen. Hierbij is van belang dat [partij A] een externe, verantwoordelijke functie heeft bij [gemeente] , waarin hij namens [gemeente] rechtstreeks contact heeft met uitvoerders en medewerkers van deze uitvoerders. [partij A] is een lokaal bekend persoon, als projectleider ruimtelijk domein en als commissielid van de gemeente Krimpenerwaard. Voor zover [partij A] stelt dat hij handelde in een zodanige emotionele toestand dat hem zijn gedrag niet kan worden toegerekend, wordt dit door [gemeente] betwist. Te oordelen is dat [partij A] terecht op staande voet is ontslagen. Op de wettelijke transitievergoeding kan hij geen aanspraak maken. Voor zover dat anders is merkt [gemeente] op dat [partij A] op 1 januari 2017 bij haar in dienst is getreden. In de periode vanaf 1 juli 2012 tot 2016 heeft hij via inhuur door een extern bureau voor [gemeente] gewerkt. Die jaren tellen niet mee bij de berekening van de transitievergoeding en de opzegtermijn. Voor zover de transitievergoeding verschuldigd zou zijn, is deze te stellen op een bedrag ad € 27.309,08 bruto.
2.4
[gemeente] verzoekt, voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou zijn gegeven, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen per de eerst mogelijke datum.
2.5
[gemeente] legt aan haar verzoek ten grondslag hetgeen zij aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. [partij A] heeft zich hiertegen verweerd met hetgeen hij in zijn verzoek heeft aangevoerd.
2.6
[gemeente] verzoekt de veroordeling van [partij A] , bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, om haar te betalen de gefixeerde schadevergoeding ad € 21.444,76 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.
2.7
[gemeente] legt aan haar verzoek ten grondslag hetgeen zij aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. [partij A] heeft zich hiertegen verweerd met hetgeen hij in zijn verzoek heeft aangevoerd.
2.8
De kantonrechter overweegt het volgende.
2.9
Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat het volgende vast. Bij brief d.d. 4 juli 2011 heeft [gemeente] aan LBITA bevestigd dat zij instemt met haar aanbieding om [partij A] als projectleider bij [gemeente] in te zetten tegen een door haar aan LBITA te betalen vergoeding. [partij A] heeft op die basis tot 1 januari 2017 bij [gemeente] gewerkt. Per laatstgenoemde datum is hij bij haar in vaste dienst getreden. Hij was laatstelijk bij haar werkzaam in de functie van [functie 3] en verdiende laatstelijk bij haar een salaris ad € 6.594,= bruto per maand, exclusief emolumenten. Op zijn arbeidsovereenkomst is de CAO Gemeenten van toepassing. Daarop is verder van toepassing [gedragscode] 2020. [partij A] heeft tijdens zijn dienstverband goed gefunctioneerd. [partij A] ondervindt overlast van zijn buren, een gezin met kleine kinderen. Hij is met hen verwikkeld in een of meer gerechtelijke procedures over (onder meer) de aanleg van een uitrit door zijn buren, in welke zaak op 16 september 2025 de mondelinge behandeling plaats moest vinden. Op 15 september 2025, toen [partij A] bezig was met de voorbereiding van de zaak, heeft hij met zijn luchtbuks geschoten op de woning van de zojuist bedoelde buren. De kogel is via het rolluik en het zich daarachter bevindende glas in de kinderkamer van de woning terecht gekomen. Op 16 september 2025 heeft de politie zich bij [partij A] aan de deur gemeld voor het doen van een huiszoeking. In de woning van [partij A] heeft de politie een stroomstootwapen en pepperspray aangetroffen. [partij A] en zijn vrouw zijn op die datum meegenomen naar het politiebureau te Gouda. Tijdens zijn verhoor, op 16 september 2025, heeft [partij A] aan de politie verklaard dat niet hij, maar een vriend, die de luchtbuks van hem wilde kopen, op 15 september 2025 het schot had gelost om het wapen te testen. Op 17 september 2025 heeft [partij A] de politie om een nieuw verhoor gevraagd. Tijdens dat verhoor heeft hij erkend dat hij degene was die met de luchtbuks op de woning van zijn buren had geschoten. Op dezelfde datum heeft zijn vrouw hem bij [gemeente] ziek gemeld. [partij A] is vanaf 16 september 2025 tot 18 september 2025 in verzekering gesteld geweest. Op 17 september 2025 heeft hij het ziekenhuis bezocht omdat hij te kampen kreeg met medische problemen, waarvoor hij medicijnen heeft gekregen. Op 18 september 2025 is [partij A] aan het einde van de dag vrij gelaten. Op donderdagavond 18 en vrijdag 19 september 2025 heeft hij uit eigener beweging aan [naam 1] verklaard dat hij op 15 september 2025 in een vlaag van verstandsverbijstering met een luchtbuks had geschoten op de woning van zijn buren, dat hij was aangehouden door de politie en dat de politie in zijn woning een stroomstootwapen en pepperspray had gevonden. Op 18 september 2025 heeft [gemeente] per mail een anonieme melding ontvangen over [partij A] . Daarin stond onder meer dat hij op 15 september 2025 met een luchtbuks meerdere schoten op de woning van zijn buren zou hebben gelost en vervolgens was aangehouden door de politie. Op 22 september 2025 heeft [partij A] over het schietincident gesproken met [naam 2] en [naam 3] . Vervolgens heeft hij ’s middags van de gemeentesecretaris te horen gekregen dat hij vanwege (onder meer) het schietincident op staande voet werd ontslagen. Het ontslag is hem bevestigd bij de hiervoor (in rechtsoverweging 2.2) geciteerde brief d.d. 23 september 2025.
2.1
Bij de beoordeling van deze zaak staat het volgende voorop. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro is iedere partij bij de arbeidsovereenkomst bevoegd de overeenkomst onverwijld op te zeggen vanwege een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel7:677 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de beschouwing te worden betrokken de aard en de [partij A] van de aan de werknemer verweten gedraging, de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de [partij A] van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
2.11
Bij de beoordeling van deze zaak is verder in aanmerking te nemen dat een ambtenaar op grond van de Ambtenarenwet is gehouden de bij of krachtens de wet op hem rustende en uit zijn functie voortvloeiende verplichtingen te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Het niet naleven van dit voorschrift geldt op grond van de Ambtenarenwet voor de toepassing van het Burgerlijk Wetboek als een tekortkoming in het nakomen van de plichten welke de arbeidsovereenkomst aan de ambtenaar oplegt. Van de ambtenaar wordt integer handelen verlangd, waarvoor hij/zij bij zijn/haar indiensttreding de eed of belofte moet afleggen. Het integer handelen mag niet alleen van de ambtenaar worden verwacht in de uitoefening van zijn functie, maar ook in privétijd, in het bijzonder indien het niet integer handelen in privétijd gevolgen heeft of kan hebben voor het functioneren tijdens werktijd of indien (zoals in artikel 6.6 van [gedragscode] 2020 is vastgelegd) dit het aanzien of imago van de gemeente kan schaden.
2.12
Niet in discussie is dat [partij A] niet integer heeft gehandeld door op 15 september 2025 met een luchtbuks te schieten op de woning van zijn buren en door verboden wapens in huis te hebben. Dat hij heeft geschoten in een vlaag van verstandsverbijstering, is niet aannemelijk. [partij A] heeft het wapen moeten pakken, moeten laden en moeten richten. Dat hij daar, na het lossen van het schot, dadelijk spijt van heeft gekregen, is wel aannemelijk. Dat doet aan de [partij A] van het feit echter niets af. [partij A] heeft, door het schot te lossen, het risico genomen dat zich achter het rolluik personen bevonden die als gevolg van het schot verwond hadden kunnen raken. Het feit dat [partij A] , zoals hij stelt, zijn buren eerder die dag met de auto heeft zien vertrekken en niet heeft zien terugkeren, sluit immers niet uit dat er toch personen in de woning waren of daarin ongezien zijn teruggekeerd. Dat [partij A] , afgaande op het gespreksverslag d.d. 22 september 2025 (productie 17 bij het verzoekschrift van [partij A] ), tijdens het verhoor bij de politie aanvankelijk heeft gezegd dat niet hij, maar een vriend het schot heeft gelost, om het wapen te testen, getuigt evenmin van integer gedrag. [partij A] had zich tijdens zijn verhoor wel op zijn zwijgrecht mogen beroepen, maar het gaat niet aan om de waarheid te verdraaien en een derde te beschuldigen. Het door [gemeente] gestelde feit, dat [partij A] zijn vrouw er toe heeft bewogen om hem ziek te melden, om niet te hoeven zeggen dat hij niet was komen werken omdat hij in verzekering was gesteld, heeft [partij A] gemotiveerd betwist. Dat feit komt zonder nadere bewijslevering niet vast te staan. Voor de beslissing of [gemeente] [partij A] terecht op staande voet heeft ontslagen, is deze bewijslevering niet nodig. Ook bij het wegdenken van het hier aan de orde zijnde feit leveren de overigens aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op in de zin van artikel 7:677 BW Pro, die het ontslag van [partij A] rechtvaardigen. Daarbij is (ook) van belang dat het schietincident, afgaande op het anonieme mailbericht dat bij [gemeente] is ingekomen, ruchtbaarheid heeft gekregen. Het in dienst houden van een ambtenaar die met een luchtbuks op de woning van zijn buren schiet, tast het aanzien van de gemeente aan. Het is voorstelbaar dat [partij A] in de uitoefening van zijn functie op het schietincident wordt aangesproken en daardoor niet (geheel) vrij meer zal zijn om te handelen zoals hij in zijn functie handelen moet. Hetgeen zojuist is overwogen brengt met zich mee dat de primaire verzoeken van [partij A] zijn af te wijzen. Zijn subsidiaire verzoeken kunnen niet worden toegewezen omdat hij niet in zijn ontslag heeft berust.
2.13
Wat de transitievergoeding betreft wordt het volgende overwogen. Artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro bepaalt dat de transitievergoeding niet verschuldigd is indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Artikel 7:673 lid 7 sub g BW Pro voegt daaraan toe dat de kantonrechter de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk toch aan de werknemer kan toekennen indien het niet toekennen van die vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zojuist bedoelde zin kan niet worden aangenomen op de enkele grond dat sprake is van een dringende reden voor onverwijlde opzegging als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
2.14
Vast staat dat [partij A] tijdens zijn dienstverband goed heeft gefunctioneerd. Vast staat ook dat het schietincident ingrijpende gevolgen heeft, niet alleen voor [gemeente] , maar met name ook voor [partij A] en zijn partner. Doordat hij zich aan dat incident schuldig heeft gemaakt en aanvankelijk bij de politie onjuist heeft verklaard, heeft [partij A] weliswaar verwijtbaar gehandeld, maar niet zodanig dat dit in de weg staat aan de toekenning van de transitievergoeding. Het feit dat hij gedurende een reeks van jaren een stroomstootwapen en pepperspray kennelijk ongebruikt in zijn kast had liggen, leidt niet tot een andere uitkomst.
2.15
Het staat vast dat [partij A] met ingang van 1 juli 2011 tot 1 januari 2017 via LBITA als projectleider voor [gemeente] heeft gewerkt tegen een door haar aan LBITA te betalen vergoeding. [partij A] heeft aangevoerd dat [gemeente] alle contracten met ingehuurde medewerkers op of omstreeks 1 januari 2017 vanwege gewijzigd beleid heeft beëindigd, maar hem en een tweetal andere medewerkers heeft willen behouden vanwege hun kennis, kunde en loyaliteit, reden waarom hij op verzoek van [gemeente] op 1 januari 2017 bij haar in dienst is getreden in de functie die hij al voor 1 januari 2017 bij [gemeente] vervulde (projectleider). [gemeente] heeft deze stelling niet (voldoende) betwist, zodat deze als vaststaand is aan te nemen. Aannemelijk is aldus dat [partij A] met ingang van 1 januari 2017 hetzelfde werk bij [gemeente] is blijven doen als het werk dat hij voor die datum voor haar uitvoerde. Feiten en omstandigheden waaruit iets anders blijkt zijn niet gebleken. Nu [partij A] gedurende een periode van circa 5,5 jaar via LBITA voor [gemeente] heeft gewerkt, is aannemelijk dat er tussen LBITA en [gemeente] zodanige banden hebben bestaan dat het inzicht in de hoedanigheid van en het functioneren van [partij A] kan worden toegerekend aan [gemeente] . Te oordelen is daarom dat sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:673 lid 4 sub b BW Pro. Dit brengt met zich mee dat de transitievergoeding is te berekenen over de periode vanaf 1 juli 2011 tot de datum waarop deze bij regelmatige opzegging had kunnen eindigen, te weten op, uitgaande van de in de CAO Gemeente 2005-2027 genoemde opzegtermijn (artikel 2.12) van drie maanden, 1 januari 2026. Het gaat hierbij om een bedrag ad € 42.183,59 bruto. Dit bedrag wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf (artikel 7:686a lid 1 BW) 22 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
2.16
In de hiervoor geciteerde ontslagbrief heeft [gemeente] aan [partij A] geschreven dat zij heeft besloten om af te zien van het vorderen van de gefixeerde schadevergoeding. Enigerlei voorwaarde heeft zij daaraan niet verbonden. De toezegging die [gemeente] heeft gedaan, is derhalve een onvoorwaardelijke toezegging. Daarop kan zij niet terugkomen. Indien zij zich de vrijheid had willen voorbehouden om alsnog op de gefixeerde schadevergoeding aanspraak te maken voor het geval [partij A] niet in zijn ontslag zou berusten, dan had zij dat in haar brief moeten vermelden. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan haar verzoek met betrekking tot de gefixeerde schadevergoeding niet worden toegewezen.
2.17
[partij A] is de partij die voor het belangrijkste deel in het ongelijk wordt gesteld in de door hem aanhangig gemaakte procedure. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van die procedure. Aangezien de [gemeente] in het ongelijk wordt gesteld in de procedure die zij aanhangig heeft gemaakt, wordt zij veroordeeld in de kosten van die procedure. Voor zover er nakosten zijn te maken, levert deze beschikking daarvoor de titel op.

3.Beslissing

De kantonrechter:
Op de verzoeken van [partij A] :
veroordeelt [gemeente] om aan [partij A] te betalen de transitievergoeding ad € 42.183,59 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening, met bepaling dat [gemeente] met betrekking tot dit bedrag binnen 30 dagen na de dag waarop deze beschikking wordt gegeven aan [partij A] een deugdelijke bruto/netto-specificatie moet verstrekken;
veroordeelt [partij A] in de kosten van de procedure, welke kosten tot op heden aan de zijde van [gemeente] worden vastgesteld op een bedrag ad € 814,= voor salaris gemachtigde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
Op de verzoeken van [gemeente] :
wijst de verzoeken af;
veroordeelt [gemeente] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van [partij A] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 543,= voor salaris gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. M. Nijenhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2026.