De rechtbank Den Haag heeft op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 10 december 2025. De toetsing richtte zich daarom op de periode van 10 december 2025 tot 27 januari 2026.
Eiser stelde dat er geen zicht meer was op uitzetting naar Algerije omdat het traject voor het verkrijgen van een laissez-passer al meer dan een jaar liep zonder resultaat. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende is om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten, mede omdat eiser zelf geen medewerking verleende aan het verkrijgen van documenten en zijn terugkeer niet wilde bespoedigen. Ook het belang van eiser bij invrijheidstelling op grond van familieleven woog niet zwaarder dan het belang van de staat bij bewaring.
De rechtbank hield tevens rekening met de ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel, zoals vereist door het Hof van Justitie van de EU, en concludeerde dat geen onrechtmatigheid was vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.