ECLI:NL:RBDHA:2026:2144
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor bestemdheid reactieketels tot productie synthetische drugs
De rechtbank Den Haag behandelde op 10 februari 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorbereiden en bevorderen van de productie van synthetische harddrugs met behulp van vijf industriële reactieketels. Deze ketels waren deels aangepast met verticale buizen, wat volgens de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) duidt op een mogelijke drugstoepassing.
Tijdens het onderzoek bleek dat verdachte aanwezig was in het bedrijfspand waar de ketels werden aangetroffen, maar hij verklaarde daar alleen gereedschap te komen ophalen. Uit het onderzoek, waaronder telefoongegevens en doorzoekingen, kwam geen bewijs naar voren dat de ketels daadwerkelijk voor drugproductie bestemd waren of dat verdachte betrokken was bij dergelijke activiteiten.
Een medeverdachte verklaarde dat hij de verticale buizen had gelast in het kader van zijn legale werkzaamheden in stoomtechnische installaties, waarbij dergelijke aanpassingen ook voor legale doeleinden voorkomen. De rechtbank oordeelde dat de enkele aanwezigheid van de gemodificeerde ketels onvoldoende bewijs is voor een drugstoepassing.
Daarom kon niet met de vereiste zekerheid worden vastgesteld dat de ketels bestemd waren voor de productie van synthetische harddrugs. De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de reactieketels bestemd waren voor de productie van synthetische harddrugs.