ECLI:NL:RBDHA:2026:21401

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
C/09/707272 / KG ZA 26-666
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing medewerking woningtoedeling met redelijke termijn in belang van minderjarige kinderen

Partijen, voormalig gehuwd en gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning, zijn in een geschil verwikkeld over de toedeling van de woning en de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kinderen. De echtscheidingsbeschikking bepaalde de hoofdverblijfplaats bij de man en de woning aan hem toe, met een mogelijkheid voor de vrouw om de woning over te nemen indien de man dit niet wilde of kon.

De vrouw stelde in kort geding dat zij de woning kan overnemen en vorderde medewerking van de man aan de overdracht en ontruiming van de woning. De man weigerde onmiddellijke medewerking en wilde een redelijke termijn hanteren, mede vanwege het belang van de kinderen die sinds juni 2026 bij hem wonen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de kinderen bij rust en stabiliteit voorop staat en dat een redelijke termijn tot 1 maart 2027 passend is. De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw uiterlijk op die datum, en tot ontruiming binnen 24 uur na overdracht. De vordering tot machtiging voor ontruiming met politie-inzet werd afgewezen als overbodig. Iedere partij draagt eigen proceskosten.

Uitkomst: Man wordt veroordeeld tot medewerking aan woningtoedeling aan vrouw uiterlijk 1 maart 2027 en ontruiming binnen 24 uur na overdracht, met inachtneming van het belang van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707272 / KG ZA 26-666
Vonnis in kort geding van 13 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. W.R. Arema te Rotterdam,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M. Kemmers te Hoorn.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de door de vrouw overgelegde producties 1 tot en met 15;
- de door man overgelegde producties 1 en 2;
- de op 3 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Dit huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam van [datum] 2025 (de echtscheidingsbeschikking) in de burgerlijke stand. Tijdens het huwelijk zijn twee kinderen geboren, die nu nog minderjarig zijn ( [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011). Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning, gelegen aan de [adres] (de woning).
2.3.
De man heeft de woning op 15 juli 2024 verlaten en hij heeft er later dat jaar mee ingestemd dat de vrouw voorlopig samen met de minderjarigen in de woning mocht verblijven voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
2.4.
In de echtscheidingsbeschikking is de hoofdverblijfplaats van de kinderen, die op dat moment nog bij de vrouw in de woning verbleven, bij de man bepaald. De rechtbank heeft daarbij veel gewicht toegekend aan het feit dat beide minderjarige hebben aangegeven dat zij bij hun vader willen gaan wonen. Bij de weging van deze wens is rekening gehouden met de leeftijd van de kinderen. Verder is de woning aan de man toegedeeld, waarbij is bepaald dat indien de man de woning niet toegedeeld wil krijgen of het hem niet lukt om de financiering hiervoor rond te krijgen, de woning onder dezelfde voorwaarden aan de vrouw wordt toegedeeld. De vrouw krijgt daarvoor drie maanden de tijd nadat de man heeft laten weten de woning niet te willen overnemen. In de echtscheidingsbeschikking is verder bepaald dat indien de vrouw de woning niet wil of kan overnemen, de woning moet worden verkocht.
2.5.
De vrouw heeft op 16 maart 2026 hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking voor wat betreft de beslissing dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben (het hoger beroep).
2.6.
De woning is na de echtscheidingsbeschikking is getaxeerd op een bedrag van € 985.000. De man heeft op 23 januari 2026 aan de vrouw laten weten dat hij de woning niet kan overnemen. De vrouw heeft vervolgens op 20 april 2026 aan de man bericht dat zij de woning dan wil en kan overnemen. Op dat moment had zij nog niet de beschikking over een aanbod voor een hypothecaire geldlening of een ander document waaruit blijkt dat zij de woning kan overnemen,
2.7.
De man is daarna een kort geding tegen de vrouw gestart. Hij heeft daarin gevorderd dat de vrouw zou worden veroordeeld om de woning te verlaten, zodat hij met uitsluiting van de vrouw met de kinderen in de woning zou kunnen verblijven, met het oog op de verkoop daarvan. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd. Zij heeft in dat kort geding in reconventie gevorderd de man te gebieden om zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn onverdeelde aandeel in de woning aan de vrouw en de woning niet te betreden zolang de vrouw daar woonachtig is.
2.8.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in het vonnis van 22 mei 2026 de vordering van de man toegewezen, in zoverre dat de vrouw is veroordeeld om de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te verlaten. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat zij haar beslissing over de gevraagde voorlopige voorziening in beginsel moet afstemmen op de overwegingen en de beslissing in de bodemprocedure en niet vooruit kan lopen op het hoger beroep. De situatie zoals door de man gevorderd, waarbij de vrouw de woning verlaat, zodat de man samen met de kinderen in de woning kan verblijven en de verkoop van de woning aan een derde in gang kan zetten, is volgens de voorzieningenrechter in overeenstemming met de bepalingen in de echtscheidingsbeschikking. Verder heeft de vrouw volgens de voorzieningenrechter in dat kort geding onvoldoende aangetoond dat zij financieel in staat is de woning op korte termijn over te nemen. De voorzieningenrechter maakt in het vonnis melding van de toezegging van de man dat, als de vrouw de woning kan overnemen, hij zijn medewerking zal verlenen aan de overdracht en dat hij en de kinderen de woning op de overdrachtsdatum zullen verlaten. De voorzieningenrechter heeft bij zijn oordeel ook in aanmerking genomen dat de man al sinds de zomer van 2024 uit de woning is, terwijl hij al die tijd de vaste lasten heeft betaald. Gezien het hoge salaris van de vrouw en het feit dat zij niet de vaste lasten van de woning betaalt, kon volgens de voorzieningenrechter worden aangenomen dat zij beter in staat is om alternatieve woonruimte te vinden. De voorzieningenrechter concludeert in het vonnis dat het (spoedeisende) belang van de man bij het hebben van het hoofdverblijf in de woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij de instandhouding van de situatie.
2.9.
De man heeft vervolgens op 3 juni 2026 de woning betrokken en hij woont daar sindsdien samen met de kinderen. De vrouw heeft de woning voor die datum verlaten en zij verblijft sindsdien elders.
2.10.
De vrouw heeft de man daarna bewijsstukken verstrekt waaruit blijkt dat zij de woning kan overnemen en aan de door de man gestelde voorwaarden kan voldoen, waaronder een door haar op 15 juni 2026 ondertekende bindende offerte en overeenkomst tot het aangaan van een hypothecaire geldlening bij de Rabobank. In de offerte staat vermeld dat de vrouw de leningdelen uiterlijk op 8 november 2027 moet opnemen bij gebreke waarvan de lening vervalt en geen gebruik meer kan worden gemaakt van het aanbod.
2.11.
De man heeft daarop aangegeven niet te kunnen meewerken aan een onmiddellijke overdracht, gevolgd door een onmiddellijk vertrek uit de woning.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1.
primair:
te gebieden dat dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de overdracht en levering van de onverdeelde helft van de woning door de man aan de vrouw;
subsidiair:
te gebieden dat de man binnen 24 uur na betekening van dit vonnis op een door de notaris te bepalen datum en tijdstip meewerkt aan het ondertekenen van de akte van verdeling/levering voor de overdracht van zijn onverdeelde helft van de woning aan de vrouw, dan wel zorgt voor een door hem getekende volmacht aan de notaris om zijn onverdeelde helft van de woning aan de vrouw te kunnen overdragen en te gebieden dat, indien de man daar niet aan voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de overdracht en levering van zijn onverdeelde helft van de woning aan de vrouw;
2.
te gebieden dat de man binnen 24 uur na de overdracht van de woning aan de vrouw de woning dient te verlaten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1.000,-- per dagdeel dat de man hier niet aan voldoet, met een maximum van € 50.000 en met machtiging van de vrouw om, indien de man in gebreke blijft hieraan te voldoen, het vonnis ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Uit de in randnummer 2.10 genoemde offerte van Rabobank blijkt dat de vrouw de woning kan overnemen. De man weigert ten onrechte mee te werken aan een spoedige overdracht/levering van de woning aan de vrouw en hij wil de woning niet op korte termijn verlaten, ondanks dat hij dit in het kader van het vorige kort geding heeft toegezegd. De vrouw verblijft nu noodgedwongen bij haar moeder, waar weinig ruimte is. Er is geen reden waarom de man niet weer bij zijn ouders kan verblijven in hun ruime woning, zoals hij de afgelopen twee jaar ook heeft gedaan. De kinderen kunnen dan bij de vrouw in de woning verblijven totdat er duidelijkheid komt over wat er wordt beslist in het hoger beroep of een procedure over een verhuizing. De man zou ook tijdelijk woonruimte kunnen huren in de buurt van de woning om samen met de kinderen in te verblijven.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat zij een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. De vrouw stelt op dit moment noodgedwongen bij haar moeder in een kleine woning te verblijven, terwijl zij heeft aangetoond dat zij de woning kan overnemen en de man ook heeft toegezegd dat hij daaraan zijn medewerking zal verlenen.
Afstemmen oordeel in kort geding op beslissing bodemrechter
4.2.
Bij de beoordeling van het gevorderde is gelet op de aard van deze procedure, waarin in spoedeisende gevallen een ordemaatregel kan worden getroffen, op de eerste plaats het volgende van belang. De voorzieningenrechter moet, evenals de voorzieningenrechter te Rotterdam heeft gedaan bij haar beslissing als onder 2.8 vermeld, zijn beslissing in beginsel afstemmen op de overwegingen en de beslissing in de bodemprocedure. Dat is in dit geval de echtscheidingsprocedure. De voorzieningenrechter kan niet vooruit lopen op het hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking en ook niet op een rechterlijke beslissing ten aanzien van de door de man gewenste verhuizing, welke procedure nog aanhangig moet worden gemaakt. Daarnaast is de beslissing in het onlangs door partijen in Rotterdam gevoerde kort geding een gegeven. Die beslissing heeft ertoe geleid dat de man in de woning is gaan wonen en dat de kinderen sindsdien hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben, conform hetgeen in de echtscheidingsbeschikking is bepaald.
4.3.
Voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat bij toewijzing van haar vordering de kinderen voorlopig bij haar in de woning kunnen blijven wonen, gaat de voorzieningenrechter daaraan dan ook voorbij. Toewijzing van de vordering van de vrouw in deze procedure betekent, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat de kinderen met de man zullen moeten verhuizen naar een tijdelijke accommodatie, aangezien de man nu geen andere woonruimte heeft. De man heeft in dit kader verklaard dat hij met de kinderen naar Noord-Holland wil verhuizen en in de buurt van zijn ouders wil gaan wonen, maar daartoe pas te kunnen overgaan als hij in het gelijk wordt gesteld in het hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking en hij (rechterlijke) toestemming krijgt om met de (minderjarige) kinderen te kunnen verhuizen. Hoe dan ook is in dit geding het uitgangspunt dat de kinderen de man zullen volgen voor wat betreft hun verblijfplaats.
Door de man gedane toezegging
4.4.
De vrouw heeft terecht gewezen op de toezegging van de man tijdens het vorige kort geding dat hij, als de vrouw de woning zou kunnen overnemen, zijn medewerking daaraan zal verlenen en dat hij en de kinderen de woning op de overdrachtsdatum zullen verlaten. De vrouw stelt dat de man een tijdelijke woning in de buurt van de woning zou kunnen huren voor hem en de kinderen of tijdelijk met de kinderen in een vakantiewoning zou kunnen verblijven. De man heeft verklaard zijn toezegging nog steeds te willen nakomen, maar dan wel met hantering van een termijn. Dat acht de voorzieningenrechter in zoverre redelijk, omdat de vrouw ten tijde van het vorige kort geding alleen nog maar een loonstrook en een hypotheekaanvraag had overgelegd. Het valt de man daarom niet aan te rekenen dat hij er tijdens het vorige kort geding van uitging dat het nog wel even zou duren voordat hij de woning zou moeten verlaten.
Bepaling van een redelijke termijn in het belang van de kinderen
4.5.
Het belangrijkste argument om een redelijke termijn te hanteren is verder en vooral het belang van de kinderen. De voorzieningenrechter volgt de man in zijn standpunt dat het niet in het belang van de kinderen is om nu te moeten verhuizen naar een tijdelijke plek. De kinderen verliezen dan hun huidige stabiele woonomgeving, zij zullen mogelijk meermaals moeten verhuizen en in onzekerheid verkeren over hoe het de komende tijd zal verlopen. Dat acht de voorzieningenrechter niet wenselijk in deze voor de kinderen stressvolle periode van de scheiding van hun ouders. Naast dat die scheiding zeer moeizaam verloopt, blijkt uit de stukken ook genoegzaam dat de thuissituatie van de kinderen lange tijd gespannen is geweest. Deze thuissituatie is onlangs gewijzigd, in die zin dat de kinderen sinds 3 juni jongstleden samen met de man in de woning wonen. De voorzieningenrechter acht het in het belang van de kinderen om nu eerst rust en stabiliteit te creëren op een voor hen vertrouwde plek in afwachting van de uitkomst van de in randnummer 4.7 genoemde rechterlijke beslissingen.
4.6.
Gelet op dit belang van de kinderen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de vrouw worden gevergd dat zij de komende periode zo nodig tijdelijke andere woonruimte betrekt. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het vinden van tijdelijke woonruimte voor één persoon, desgewenst in de buurt van de woning zodat omgang tussen de vrouw en de kinderen makkelijker kan worden gerealiseerd, ook eenvoudiger is dan voor drie personen. Daarbij is ook relevant dat de man momenteel de lasten van de woning voldoet en heeft verklaard dat de vrouw aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding, op dezelfde wijze als de man daar in het verleden aanspraak op kon maken, hetgeen bij de uiteindelijke afrekening kan worden betrokken.
4.7.
Gelet op de ter zitting van partijen verkregen informatie is een redelijke inschatting dat er (vlak) voor het einde van dit jaar een uitspraak is in het hoger beroep en ook in een door de man nog te starten procedure om toestemming te verkrijgen om met de kinderen naar de regio Alkmaar te verhuizen (indien en voor zover in hoger beroep de bepaling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man wordt bekrachtigd). De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man die procedure met voortvarendheid zal initiëren en dat beide partijen die procedure met voortvarendheid zullen doorlopen, voor zover dat in hun macht ligt. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dan kort na de uitspraak in het hoger beroep er ook duidelijkheid zal zijn over de verhuizing (zo nodig, afhankelijk van de beslissing die in het hoger beroep zal worden genomen). Dat is de ‘stip op de horizon’ waar beide partijen naartoe werken, zo begrijpt de voorzieningenrechter.
4.8.
De voorzieningenrechter acht het reëel dat de man daarna pas concrete stappen kan zetten om andere woonruimte te vinden, daargelaten dat hij zich uiteraard wel al eerder kan oriënteren op de mogelijkheden die er voor hem zijn (in geval van alle mogelijke beslissingen in de hiervoor genoemde procedures). De voorzieningenrechter acht het redelijk en billijk om de man hier tot 1 maart 2027 de tijd voor te geven, waarbij de voorzieningenrechter het belang van de (minderjarige) kinderen voorop gesteld heeft, welk belang met name gediend wordt door rust en duidelijkheid. Deze termijn acht de voorzieningenrechter redelijk en billijk voor zowel in de situatie waarin de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man wordt bepaald als waarin deze bij de vrouw wordt bepaald. In het eerste geval moet de man voor drie personen andere woonruimte vinden; dat is in Noord-Holland, indien hij hiervoor toestemming krijgt, dan wel in de omgeving van Nieuwekerk aan den IJssel. In het tweede geval hebben de kinderen er belang bij dat de situatie niet overhaast wordt gewijzigd, maar dat zij hierop rustig kunnen worden voorbereid.
Conclusie
4.9.
Gelet op de door de man gedane toezegging en het spoedeisend belang van de vrouw zal de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering van de vrouw toewijzen op de wijze zoals hierna vermeld en met inachtneming van de hiervoor vermelde termijn. Voor toewijzing van de primaire vordering ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De voorzieningenrechter acht het redelijk om de man de gelegenheid te bieden om zelf mee te werken aan de toedeling, zoals hij ook heeft toegezegd te zullen doen. Voor het geval de man dat niet zal doen, zal de voorzieningenrechter de gevorderde voorziening op grond van artikel 3:300 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek toewijzen.
4.10.
Ook de tweede vordering is gelet op het vorenstaande toewijsbaar op de wijze zoals in het dictum bepaald. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie wordt afgewezen, omdat zij overbodig is. De wet geeft aan de deurwaarder immers de bevoegdheid om een gedwongen (gehele of gedeeltelijke) ontruiming uit te voeren (artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 in Pro combinatie met artikel 444 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering), waarbij de deurwaarder de hulp van politie en justitie kan inroepen. Voor toewijzing van de gevorderde dwangsom is gelet daarop ook geen aanleiding.
Proceskosten
4.11.
In de omstandigheid dat partijen voormalig echtgenoten zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de toedeling van de woning aan de [adres] aan de vrouw uiterlijk op 1 maart 2027;
5.2.
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen hiervoor is bepaald, dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van toedeling/levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat de woning wordt toegedeeld aan de vrouw;
5.3.
gebiedt de man om de woning – binnen 24 uur na het passeren van de akte waarmee deze aan de vrouw wordt toegedeeld – te verlaten en te ontruimen, met medeneming van de hem toebehorende zaken;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
ts