ECLI:NL:RBDHA:2026:21400

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
C/09/707232 / KG ZA 26-660
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voortzetting gebruik ontmoetingsruimte wijkcentrum seniorenactiviteiten

In deze kortgedingprocedure vordert [partij A] dat Incluzio wordt bevolen het gebruik van een ontmoetingsruimte in een wijkcentrum voor seniorenactiviteiten toe te staan. [partij A] baseert zijn vordering op een vermeende nieuwe gebruiksovereenkomst met Incluzio, de opvolgend beheerder, of op de verplichting van Incluzio om de bestaande overeenkomst met de vorige beheerder over te nemen.

De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke gebruiksovereenkomst tussen [partij A] en de vorige beheerder rechtsgeldig is opgezegd met inachtneming van de contractuele opzegtermijn. Er is onvoldoende bewijs dat tussen [partij A] en Incluzio een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen. De e-mailcorrespondentie en het telefoongesprek zijn onvoldoende om een bindend contract aan te nemen.

Ook de stelling dat Incluzio op grond van de subsidieregeling of redelijkheid en billijkheid gehouden zou zijn de overeenkomst over te nemen, faalt omdat de oorspronkelijke overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd. De rechtbank overweegt dat de belangenafweging, mede gelet op het aanbod van Incluzio om een alternatieve ruimte ter beschikking te stellen, niet tot toewijzing van de vordering leidt.

De voorzieningenrechter wijst de vordering af en veroordeelt [partij A] in de proceskosten. De uitspraak is een voorlopige voorziening in afwachting van een bodemprocedure, waarbij de rechtbank inschat dat [partij A] in die procedure ook niet in het gelijk zal worden gesteld.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en bevestigt dat de gebruiksovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en geen nieuwe overeenkomst is gesloten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707232 / KG ZA 26-660
Vonnis in kort geding van 13 juli 2026
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. A. Ramsaroep te Den Haag,
tegen:
Incluzio Randstad B.V.te Schiedam,
gedaagde in conventie,
eiseres in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’ en ‘Incluzio’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de daarbij overgelegde producties;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in voorwaardelijke reconventie, met de daarbij overgelegde producties;
- de door [partij A] overgelegde nadere producties, voorzien van een toelichting;
- de op 3 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[partij A] organiseert activiteiten voor senioren. Hij heeft voor dat doel in 2023 een
overeenkomst gesloten met [stichting] voor het gebruik (om niet) van een ruimte in het [wijkcentrum] aan [adres] , op zaterdagen en een zondag per kwartaal.
2.2.
In 2025 is er onenigheid ontstaan tussen [partij A] en [stichting] over het gebruik door [partij A] van het wijkcentrum voor haar activiteiten. [stichting] heeft op enig moment het gebruik van het wijkcentrum door [partij A] aan hem ontzegd vanwege klachten van bewoners van de boven het wijkcentrum gelegen appartementen over geluidsoverlast. Daarna zijn er nadere afspraken gemaakt en is het gebruik voortgezet. [stichting] heeft de overeenkomst daarna toch ontbonden en [partij A] gesommeerd de sleutels op 29 augustus 2025 in te leveren. Hieraan is geen gevolg gegeven, waarna er bij deze rechtbank een kort geding tussen [partij A] en [stichting] heeft plaatsgevonden.
2.3.
In dat kort geding is de voorzieningenrechter in het vonnis van 9 oktober 2025 tot de conclusie gekomen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat ontbinding van de gebruiksovereenkomst gerechtvaardigd is vanwege door [partij A] veroorzaakte overlast. De voorzieningenrechter heeft wel aanleiding gezien om bij wijze van ordemaatregel voorlopig de activiteiten van [partij A] enigszins te beperken voor wat betreft de frequentie en het eindtijdstip daarvan. Hoewel de voorzieningenrechter geen objectieve metingen tot zijn beschikking had op grond waarvan met voldoende zekerheid kon worden uitgegaan van ontoelaatbare overlast, stond volgens de voorzieningenrechter wel vast dat bewoners sinds juli 2025 iedere zaterdag, en daarmee structureel, overlast ervoeren en niet kon worden uitgesloten dat dit terecht was. [stichting] is vervolgens geboden om aan [partij A] het ongestoord gebruik van de ontmoetingsruimte toe te staan in de periode vanaf 9 oktober tot en met 28 december 2025 elke eerste en derde zaterdag van de maand van 13.00 tot 23.00 uur en één keer per kwartaal op een zondag. De voorzieningenrechter overwoog daarbij dat [stichting] gedurende die periode de mogelijkheid zou hebben om geluidsmetingen te laten verrichten door onafhankelijke professionals voor een objectieve beoordeling van ervaren overlast in een later stadium, zoals een bodemprocedure.
2.4.
Na een door de gemeente Den Haag in 2025 gehouden aanbesteding voor het beheer van diverse wijkcentra in Den Haag, heeft Incluzio deze opdracht gegund gekregen per 1 april 2026.
2.5.
Incluzio heeft [partij A] hierover op 19 januari 2026 per e-mail geïnformeerd. Daarnaast heeft zij het volgende aan [partij A] bericht:
‘(…) In de overdracht met Xtra/ [stichting] hebben we uw gebruikersovereenkomst uit 2025 ontvangen, in verband met het gebruik van een ruimte binnen [wijkcentrum] .
Ik zou hierover graag telefonisch contact met u opnemen om te bespreken of u nog gebruik
wenst te maken van deze ruimte of dat er hierin iets wijzigt. Op basis hiervan kunnen we de
nieuwe gebruikersovereenkomst opstellen.
(…)
Ook indien u geen gebruik meer wenst te maken van een ruimte bij [wijkcentrum] , hoor ik het ook graag.’
[partij A] heeft hierop per e-mailbericht van 20 januari 2026 geantwoord, voor zover hier relevant:
‘(…) Graag zou ik gebruik willen blijven maken van de ruimte zoals contractueel afgesproken met [stichting] . (…)’
Partijen hebben vervolgens op 27 januari 2026 telefonisch contact hierover met elkaar gehad.
2.6.
[stichting] heeft op 28 januari 2026 de door haar met [partij A] gesloten gebruiksovereenkomst met betrekking tot de ontmoetingsruimte opgezegd. Zij verwijst daarbij naar artikel 2.1 van de gebruiksovereenkomst, waarin staat vermeld dat de gebruiksovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden, ingaande op 1 januari 2023 en naar artikel 2.2. van de gebruiksovereenkomst waarin staat vermeld dat de gebruiksovereenkomst daarna telkens wordt verlengd voor de duur van één jaar, tenzij deze wordt opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal twee maanden. [stichting] zegt met inachtneming van de opzegtermijn de gebruiksovereenkomst op tegen de eerst mogelijke opzeggingsdatum van 1 juli 2026. Zij verzoekt [partij A] de ontmoetingsruimte uiterlijk op die datum leeg en ontruimd op te leveren en de sleutels in te leveren.
2.7.
Incluzio heeft daarna aan [partij A] laten weten dat zij de ontmoetingsruimte vanaf 1 juli 2026 niet aan hem ter beschikking gaat stellen en dat zij dus geen overeenkomst met hem zal aangaan.
2.8.
In onderzoeksrapporten van 31 januari 2026 en 7 februari 2026 van de Omgevingsdienst Haaglanden (de omgevingsdienst) wordt geconcludeerd dat de geluidsnormen voor de avondperiode tijdens bij het wijkcentrum verrichte metingen op die zaterdagen zijn overschreden.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Incluzio te gebieden het ongestoord gebruik van de ontmoetingsruimte van het wijkcentrum door [partij A] toe te staan elke zaterdag van 13.00 tot 23.00 uur en één keer per kwartaal op een zondag, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Incluzio in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Daartoe voert [partij A] – samengevat – het volgende aan. [partij A] organiseert activiteiten voor senioren. Hij levert met zijn activiteiten een bijdrage aan de bestrijding van fysieke en mentale gezondheidsproblemen bij deze doelgroep. Dit past volledig bij de doelstellingen van het wijkcentrum. De afgelopen periode zijn de activiteiten al ten onrechte beperkt. Deze moeten vanaf 1 juli 2026 door kunnen gaan. Hiervoor is primair redengevend dat uit de e-mailcorrespondentie volgt dat er sprake is van een door Incluzio gedaan aanbod voor een gebruiksovereenkomst voor de ontmoetingsruimte, dat door [partij A] is aanvaard. Incluzio moet de gemaakte afspraken nakomen. Subsidiair moet Incluzio het contract dat [partij A] met [stichting] heeft gesloten overnemen op grond van de verplichtingen die staan vermeld in de voor haar geldende subsidieregeling en op grond van de redelijkheid en billijkheid. De gebruiksovereenkomst is door [stichting] namelijk niet rechtsgeldig opgezegd.
3.3.
Incluzio voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
Incluzio vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij A] te veroordelen om, indien hij de sleutels van het wijkcentrum niet al heeft afgegeven of zich onvoorwaardelijk bereid heeft verklaard dat alsnog te doen, dit te doen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis.
3.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorwaarde waaronder deze voorwaardelijke reconventionele vordering is ingesteld niet is vervuld. [partij A] heeft tijdens de op 3 juli 2026 gehouden zitting bij monde van zijn advocaat uitdrukkelijk verklaard dat hij direct hieraan zal meewerken, indien zijn vordering wordt afgewezen. Deze voorwaardelijke reconventionele vordering behoeft daarom geen verdere bespreking.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie
4.1.
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van het gevorderde voorop dat in dit kort geding geen definitief oordeel wordt gegeven, maar dat een voorlopige voorziening kan worden getroffen in spoedeisende zaken, vooruitlopend op de uitkomst van een eventueel nog aanhangig te maken bodemprocedure. Daarbij moet worden ingeschat wat de uitkomst zal zijn van die bodemprocedure. De vordering kan alleen worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat dit ook het geval is in een bodemprocedure. Verder moet een belangenafweging worden gemaakt.
Is er een (nieuwe) overeenkomst tot stand gekomen tussen [partij A] en Incluzio?
4.2.
[partij A] stelt zich primair op het standpunt dat er tussen hem en Incluzio een nieuwe gebruiksovereenkomst tot stand is gekomen. Dit blijkt volgens hem uit de e-mailwisseling van 19 en 20 januari 2026 (zie 2.5). De voorzieningenrechter acht echter niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat op grond hiervan een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.
4.3.
Incluzio, die op het moment van het versturen van haar bericht op 19 januari 2026 nog geen beheerder of huurder van het wijkcentrum was, wil gezien haar verzoek in overleg treden over het gebruik van de ontmoetingsruimte om te bezien of het gebruik zou kunnen worden voortgezet. Het komt de voorzieningenrechter ook aannemelijk voor dat Incluzio dit bij alle gebruikers heeft willen inventariseren, zoals Incluzio ter zitting heeft verklaard. Het e-mailbericht van 19 januari 2026 kan dan ook niet worden aangemerkt als een aanbod voor een nieuwe gebruiksovereenkomst. Nu Incluzio geen aanbod heeft gedaan, kan de mededeling van [partij A] in reactie op dit bericht dat hij graag gebruik wil blijven maken van de ontmoetingsruimte dan ook niet leiden tot een overeenkomst tussen [partij A] en Incluzio op grond waarvan [partij A] aanspraak kan maken op dat gebruik.
4.4.
Ook de mededeling van Incluzio in haar bericht dat op basis van het nog te leggen contact een nieuwe gebruiksovereenkomst kan worden opgesteld, is geen aanbod dat bij aanvaarding leidt tot een overeenkomst. Incluzio heeft voorts betwist dat zij in het telefoongesprek van 27 januari 2026 tussen haar en [partij A] heeft bevestigd dat er een overeenkomst tot stand is gekomen, zoals [partij A] ook nog naar voren heeft gebracht. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing van die stelling kan de voorzieningenrechter daar niet vanuit gaan.
4.5.
Voor de juistheid van het standpunt van [partij A] dat er in januari 2026 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen hem en Incluzio – dan wel dat zij toen overeenstemming hebben bereikt over een contractovername – ziet de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende aanknopingspunten.
Is Incluzio op andere gronden verplicht de overeenkomst tussen [stichting] en [partij A] over te nemen?
4.6.
Als er geen nieuwe overeenkomst tussen [partij A] en Incluzio tot stand zou zijn gekomen, dan is Incluzio volgens [partij A] desondanks verplicht de overeenkomst tussen [stichting] en hem over te nemen. Daartoe doet [partij A] onder meer een beroep op de verplichtingen van Incluzio zoals vermeld in de Subsidieregeling professioneel welzijnswerk 2026-2027 Den Haag 2025 (de subsidieregeling) en op de redelijkheid en billijkheid. [partij A] neemt daarbij tot uitgangspunt dat de overeenkomst die hij had met [stichting] door [stichting] niet rechtsgeldig is opgezegd. Daarin kan [partij A] echter niet worden gevolgd.
4.7.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of op de gebruiksovereenkomst tussen [partij A] en [stichting] de bepalingen van toepassing zijn die staan vermeld in de in het geding gebrachte schriftelijke, maar niet door die partijen ondertekende, overeenkomst (de schriftelijke overeenkomst) of dat er sprake was van een mondelinge overeenkomst voor onbepaalde tijd. Uit hetgeen hierna wordt overwogen blijkt echter dat dit tot dezelfde conclusie leidt.
4.8.
Indien de schriftelijke overeenkomst tussen partijen van kracht is, dan geldt dat deze in werking is getreden op 1 januari 2023 en deze een initiële looptijd had van 6 maanden. Na die periode is de overeenkomst telkens verlengd voor de duur van één jaar, tenzij een partij deze met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 2 maanden heeft opgezegd. Deze opzegging mag zonder opgave van redenen gedaan worden. [stichting] heeft op 28 januari 2026 aan [partij A] bericht dat de overeenkomst wordt opgezegd. Daarmee heeft [stichting] de overeengekomen opzegtermijn ruimschoots in aanmerking genomen en de overeenkomst rechtsgeldig opgezegd.
4.9.
Als er sprake was van een mondelinge gebruiksovereenkomst voor onbepaalde tijd, zonder dat nadere voorwaarden van toepassing zijn, geldt dat een dergelijke overeenkomst in beginsel zonder belemmeringen opzegbaar is. De redelijkheid en billijkheid kunnen aanvullende eisen stellen, maar de voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat de bodemrechter in dit geval zodanig zware eisen zal stellen dat daar in dit geval niet aan is voldaan. Daarbij is relevant dat er sprake is van een gebruiksovereenkomst om niet (er is geen vergoeding verschuldigd voor het gebruik) en de ontmoetingsruimte wordt pas sinds 2023 door [partij A] gebruikt voor het organiseren van activiteiten. [stichting] heeft voorts een ruime opzegtermijn gehanteerd van meer dan vijf maanden. De voorzieningenrechter heeft ook in aanmerking genomen dat [stichting] geen andere ruimte ter beschikking kon stellen, aangezien haar beheerstaken zijn geëindigd, maar dat Incluzio als opvolgend beheerder wel een aanbod hiertoe heeft gedaan.
4.10.
[partij A] heeft ook nog een derde variant van een overeenkomst geschetst, die volgens hem tussen partijen van kracht zou kunnen zijn. Hij stelt dat er mogelijk met ingang van 1 januari 2026, nadat de periode waarin het gebruik door de voorzieningenrechter is beperkt is geëindigd, een nieuwe overeenkomst tussen hem en [stichting] is gaan lopen en wel voor de duur van één jaar. Deze zou dan pas per eind 2026 kunnen eindigen. Daarvoor ziet de voorzieningenrechter echter geen enkel aanknopingspunt, te meer nu [partij A] zelf ook stelt dat er op dat moment geen nieuwe afspraken zijn gemaakt.
4.11.
De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat de gebruiksovereenkomst in alle gevallen rechtsgeldig is geëindigd door de tijdige opzegging hiervan door [stichting] . Of Incluzio op basis van de subsidieregeling al dan niet is gehouden lopende gebruiksovereenkomsten over te nemen, kan gelet daarop in het midden blijven. Daar was immers geen sprake meer van.
Uitkomst beoordeling in kort geding
4.12.
Gelet op al het vorenstaande is niet te verwachten dat [partij A] in een bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld.
4.13.
In het kader van de te maken belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter dat [partij A] heeft verklaard dat hij voorlopig door wil kunnen gaan met zijn activiteiten in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure. De komende tijd kan dan volgens hem benut worden om naar het geluidsniveau van zijn activiteiten te kijken. Echter, nu niet aannemelijk geworden is dat Incluzio gehouden is het wijkcentrum aan [partij A] ter beschikking te blijven stellen, is de discussie over het geluidsniveau van zijn activiteiten in het kader van dit geschil niet relevant.
4.14.
De voorzieningenrechter overweegt in dat kader wel nog het volgende. [partij A] heeft in deze procedure zijn ongenoegen geuit over hoe een en ander is verlopen bij de klachten over geluidsoverlast en de metingen die begin van dit jaar door de omgevingsdienst zijn gedaan, waarover [partij A] stelt niet te zijn geïnformeerd. [partij A] lijkt dit zowel [stichting] als Incluzio kwalijk te nemen. De voorzieningenrechter ziet echter niet in hoe dit Incluzio kan worden aangerekend, die immers pas sinds 1 april 2026 als beheerder van het wijkcentrum optreedt. Incluzio heeft daarentegen wel te maken met de gevolgen van de door de Gemeente vóór haar tijd als beheerder (op 11 maart 2026) aan [stichting] uitgevaardigde last onder dwangsom vanwege een overschrijding van de geluidsnorm van het omgevingsplan. Op dat moment werd [stichting] verantwoordelijk gehouden voor de overtreding, maar nu is dat Incluzio.
De voorzieningenrechter volgt [partij A] dan ook niet in de manier waarop zij het handelen van Incluzio typeert.
4.15.
Alhoewel [partij A] het belang van haar achterban bij het deelnemen aan activiteiten voldoende over het voetlicht heeft gebracht, leidt een belangenafweging, gelet op het vorenstaande en ook op het door Incluzio gedane aanbod om een andere ruimte hiervoor ter beschikking te stellen, niet tot een ander oordeel. Het gevorderde zal daarom worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
4.16.
Omdat [partij A] in het ongelijk is gesteld moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Incluzio worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
------------
Totaal € 2.101
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [partij A] in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; en
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
ts