ECLI:NL:RBDHA:2026:21397

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
C/09/707176 KG ZA 26-654
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot intrekking openbare biedingsprocedure ligplaats woonboot

Eiseres vordert in kort geding dat de Staat de openbare biedingsprocedure voor een ligplaats voor een woonboot intrekt en de huurovereenkomst onderhands aan haar gunt. Zij stelt dat zij de enige serieuze gegadigde is en dat de Staat haar een toezegging heeft gedaan, waardoor zij gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen.

De Staat voert verweer en stelt dat er meerdere serieuze gegadigden zijn, die beschikken over de vereiste vergunningen, en dat de openbare biedingsprocedure rechtmatig is. De rechtbank past het kader van de Didam-arresten toe, waarin is bepaald dat bij meerdere serieuze gegadigden een openbare procedure moet worden gehouden met objectieve, toetsbare en redelijke criteria.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet de enige serieuze gegadigde is, nu er meerdere vergunninghouders zijn en een derde vergunning is aangevraagd. De stelling dat een andere gegadigde slechts inschrijft om dwars te zitten is onvoldoende onderbouwd. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Staat toezeggingen heeft gedaan die gerechtvaardigd vertrouwen wekken.

De belangenafweging leidt niet tot een bijzondere positie voor eiseres, omdat de selectiecriteria geen ruimte bieden voor persoonlijke omstandigheden. De vordering wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707176 / KG ZA 26-654
Vonnis in kort geding van 26 juni 2026
in de zaak van
[eiseres]te [plaats] ,
eiseres,
advocaat mr. R.P.H. Sangers te Heerlen,
tegen:
de Staat der Nederlandente Den Haag,
gedaagde,
advocaten mrs. F. Sepmeijer en A.F. Snethlage te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de niet-betekende dagvaarding met producties;
- de door de Staat overgelegde producties;
- de door [eiseres] overgelegde nadere productie;
- de op 25 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de Staat vrijwillig is verschenen. Door beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.
1.2.
Op 26 juni 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 30 juni 2026.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Staat biedt een ligplaats voor een woonboot in [plaats] te huur aan. Deze is gelegen in het Afvoerkanaal, gelegen tussen de ligplaatsen [ligplaats 1] en [ligplaats 2] .
2.2.
[eiseres] heeft bij het Rijksvastgoedbedrijf van de Staat (het RVB) haar interesse getoond in de huur van de ligplaats. Zij heeft hierover op 18 december 2025 telefonisch contact gehad met een medewerkster van het RVB.
2.3.
Er is vervolgens een mailwisseling tot stand gekomen tussen [eiseres] en die medewerkster van het RVB, startend met een bericht van 18 december 2025 waarin de medewerkster het die dag gevoerde telefoongesprek bevestigt. Zij schrijft, verkort weergegeven, dat [eiseres] in dat gesprek haar interesse heeft getoond in de huur van de ligplaats. Zij stelt dat [eiseres] daarbij heeft aangegeven dat de gemeente [plaats] geen bezwaar heeft, dat zij [eiseres] van Rijkswaterstaat al een toezegging heeft gekregen dat ze een vergunning kan aanvragen en dat [eiseres] wil weten of het RVB ook toestemming geeft. Daarover bericht de medewerkster van het RVB:
‘Het is inderdaad gelegen op staatseigendom en ik heb verteld dat wij in principe toestemming geven mits er een vergunning is afgegeven is. Ook heb ik u verteld dat wij alleen wel genoodzaakt zijn om deze toekomstige ligplaats eerst openbaar aan te bieden.
Ik heb u geadviseerd zoveel mogelijk argumenten te geven waarom het voor u zo belangrijk is om deze plek te huren. Garanties kon ik u niet geven maar mogelijk kunnen de argumenten helpen bij het maken van een keuze.
Graag ontvang ik van u deze argumenten, de toezegging van de vergunning van Rijkswaterstaat en bij voorkeur ook de goedkeuring van de Gemeente. Ook ontvang ik graag de exacte locatie van de door u gewenste toekomstige ligplaats en de afmetingen van de woonboot.
Ik zal daarna mijn best gaan doen om e.e.a. te realiseren.’
2.4.
[eiseres] heeft vervolgens haar argumenten en motivatie toegelicht. Daarbij heeft zij onder maatschappelijke redenen haar persoonlijke omstandigheden toegelicht. Zij heeft verder gewezen op de moeite die zij heeft gedaan en de kosten die zij heeft gemaakt en nog zal moeten maken voor het vinden en bemachtigen van de ligplaats. [eiseres] en de betreffende medewerkster van het RVB hebben in de maand daarna via de mail nog informatie uitgewisseld, waaronder over de startdatum en duur van het biedboektraject.
2.5.
Naar aanleiding van nadere verzoeken om informatie van [eiseres] heeft (een andere medewerker van) het RVB haar op 16 april 2026 bericht (voor zover hier relevant):
‘(…) Het Rijksvastgoed is voornemens deze ligplaats openbaar aan te bieden zoals ook mijn collega u eerder heeft bericht. Dat houdt in dat geïnteresseerden het biedboek kunnen opvragen en een bieding kunnen doen. De door u aangedragen argumenten om de ligplaats onderhands aan u te gunnen zijn geen objectieve, redelijke en toetsbare criteria. Dat betekent niet dat het Rijkvastgoedbedrijf geen enkel begrip voor uw situatie heeft. Het betekent helaas wel dat het Rijksvastgoedbedrijf u ondanks deze omstandigheden geen bijzondere positie kan geven ten opzichte van anderen.
Op dit moment is het Rijksvastgoedbedrijf voornemens bij de inschrijving als voorwaarde op te nemen dat een bieder beschikt over een geldige vergunning en is het criterium om te gunnen bij meerdere bieders het hoogste bod. (…)’
2.6.
De Staat heeft hierna een biedboek gepubliceerd, waarin informatie over de biedingsprocedure is opgenomen. Hieruit blijkt onder meer dat geïnteresseerden dienen te beschikken over een geldige vergunning van Rijkswaterstaat voor de ligplaats, dat de bieding een eenmalig te betalen bedrag betreft om het huurrecht te verkrijgen en dat degene die de ligplaats gegund krijgt daarna jaarlijks huur voor de ligplaats moet betalen. De openbare inschrijving voor de biedingen sluit op 30 juni 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: de Staat te veroordelen om de openbare biedingsprocedure ter zake de huurovereenkomst met betrekking tot de ligplaats binnen 48 uur na de datum van dit vonnis in te trekken en de Staat te gebieden om de huurovereenkomst met betrekking tot de ligplaats onderhands aan te gaan met [eiseres] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, een en ander op de wijze zoals in de dagvaarding omschreven.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. Het uitgangspunt is dat de Staat huurovereenkomsten die betrekking hebben op ligplaatsen aan moet bieden door middel van een openbare biedingsprocedure. Dat hoeft echter niet indien er sprake is van maar één serieuze gegadigde. Dat is hier het geval. Dat de Staat een openbare biedingsprocedure organiseert, is dat dan ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het is daarnaast in strijd met het vertrouwensbeginsel. Bij [eiseres] is namelijk het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij de ligplaats gegund zou krijgen. Door een medewerker van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is hiertoe een toezegging gedaan. De Staat dient die toezegging na te komen, het gewekte vertrouwen te honoreren en het is ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de Staat de huurovereenkomst niet aan [eiseres] gunt.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Beoordelingskader: Didam-arresten
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Staat bij de verhuur van de ligplaats de door de Hoge Raad in de Didam-arresten [1] geformuleerde regels in acht moet nemen. Deze brengen mee dat, als een overheidslichaam het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, het overheidslichaam op grond van het gelijkheidsbeginsel ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen als er meerdere gegadigden zijn of redelijkerwijs zijn te verwachten. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Die criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn.
Die mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure hoeft alleen niet te worden geboden als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval moet het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop bekend maken op zodanige wijze dat een ieder daarvan kennis kan nemen én moet hij motiveren waarom dat naar zijn oordeel bij voorbaat vaststaat of mag worden aangenomen. Dit een en ander is ook van toepassing bij verhuur, zoals hier aan de orde.
Beleid van de Staat
4.2.
Deze uitzondering schept een bevoegdheid voor de Staat om van de hoofdregel af te wijken, maar geeft geen verplichting om daarvan gebruik te maken. Het RVB heeft naar aanleiding van de Didam-arresten beleid vastgesteld. Daarin heeft hij nader invulling gegeven aan de beleidsruimte die hij heeft bij het bepalen van de criteria op grond waarvan kan worden vastgesteld of er maar één serieuze gegadigde is.
4.3.
Met inachtneming van dat beleid heeft het RVB hier als criterium vastgesteld dat een geïnteresseerde moet beschikken over een ligplaatsvergunning van Rijkswaterstaat. In dat geval kan er een bieding worden gedaan om het huurrecht te verkrijgen. De Staat is, gezien het kader zoals hiervoor weergegeven, niet gehouden om nog andere criteria te hanteren, zoals dat gegadigden ook nog over andere vergunningen moeten beschikken om een bieding te kunnen uitbrengen. Die vergunningen kunnen ook later nog worden aangevraagd.
Maar één serieuze gegadigde?
4.4.
Vaststaat dat [eiseres] niet de enige is die beschikt over een ligplaatsvergunning van Rijkswaterstaat. De Staat heeft onweersproken gesteld dat er inmiddels twee ligplaatsvergunningen zijn verleend en een derde vergunning is aangevraagd. Dat betekent dat de Staat terecht heeft aangenomen dat er niet maar één serieuze gegadigde is – in de persoon van [eiseres] – die in aanmerking komt voor de huurovereenkomst.
4.5.
De stelling van [eiseres] dat een van de andere gegadigden enkel inschrijft om haar dwars te zitten, kan niet leiden tot de conclusie dat deze gegadigde daarom niet als serieuze gegadigde kan worden aangemerkt. Daarvoor is immers relevant of deze persoon kan voldoen aan de gestelde objectieve, toetsbare en redelijke criteria. Overigens heeft [eiseres] deze stelling ook niet anders onderbouwd dan uitsluitend met een mondelinge toelichting ter zitting, zodat de voorzieningenrechter niet kan uitgaan van de juistheid daarvan. Daarbij komt dat er ook nog een andere potentiële gegadigde is.
4.6.
De Staat moet gelet op het vorenstaande op grond van het gelijkheidsbeginsel ruimte bieden aan andere (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar de huurovereenkomst.
Belangenafweging?
4.7.
De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de diverse door [eiseres] aangevoerde omstandigheden, waaronder dat zij als enige ook al de andere benodigde vergunningen heeft verkregen, het huisnummer voor de ligplaats heeft laten registreren, al een woonark heeft gekocht en diverse kosten heeft gemaakt. [eiseres] heeft voorts gemotiveerd waarom haar persoonlijke omstandigheden met zich brengen dat toewijzing van de ligplaats aan haar zowel een privébelang als een breder maatschappelijk belang dient. Alhoewel [eiseres] haar belang bij de ligplaats daarmee zonder meer duidelijk heeft gemaakt, kan dit er niet toe leiden dat de Staat gehouden is om haar daarom een bijzondere positie te bieden ten opzichte van andere gegadigden. De selectiecriteria bieden geen ruimte voor een belangenafweging. Deze criteria – die zoals gezegd objectief, toetsbaar en redelijk moeten zijn – hoeven daar ook geen ruimte voor te bieden.
Gerechtvaardigd vertrouwen? Gedane toezegging(en)?
4.8.
[eiseres] stelt dat een medewerkster van het RVB haar heeft toegezegd dat de ligplaats op voorhand (onderhands) aan haar zou worden gegund. [eiseres] stelt ook dat haar is toegezegd dat er een openbare procedure zou volgen, maar dat daarbij niet het hoogste bod bepalend zou zijn voor de gunning, maar, zo begrijpt de voorzieningenrechter, waarbij zou worden voorzien in de mogelijkheid om te gunnen op basis van vereisten waaraan alleen [eiseres] kan voldoen. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk of [eiseres] stelt dat beide toezeggingen zijn gedaan. Het gaat daarbij namelijk om twee verschillende soorten procedures. Wat hier ook van zij, de Staat heeft weersproken dat de door [eiseres] gestelde toezeggingen zijn gedaan.
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] met de door haar overgelegde stukken niet voldoende aannemelijk heeft weten te maken dat de gestelde toezeggingen zijn gedaan en dus ook niet dat bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat zij de ligplaats zou krijgen. Gelet daarop is er geen plaats voor de gevorderde spoedvoorziening in dit kort geding.
4.10.
Overigens, als de gestelde toezeggingen al zouden zijn gedaan, dan wil dat nog niet zeggen dat daarmee voldoende aannemelijk is dat de Staat in een bodemprocedure zal worden veroordeeld om die na te komen. Gelet op het bepaalde in de Didam-arresten en de belangen van de andere gegadigden, acht de voorzieningenrechter dat niet erg waarschijnlijk.
Conclusie en proceskostenveroordeling
4.11.
Het gevorderde is gelet op het vorenstaande niet voor toewijzing vatbaar. De vorderingen zullen dus worden afgewezen.
4.12.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
-------------------
Totaal € 2.101
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het gevorderde af;
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101 (te weten griffierecht € 735, salaris advocaat € 1.177 en nakosten € 189,00 (plus na te melden verhoging), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
ts

Voetnoten

1.Hoge Raad, 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en Hoge Raad, 15 november 2024, ECLI:NL: HR:2024:1661