ECLI:NL:RBDHA:2026:21394
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Intrekking minicompetitie door Staat wegens afwijkende opslagberekeningsmethode in aanbesteding
De Staat heeft in 2024 een raamovereenkomst gesloten met meerdere partijen, waaronder Computacenter en Protinus, voor levering van netwerkproducten en -diensten. In januari 2026 startte de Staat een minicompetitie voor Cisco netwerkapparatuur, waarbij een andere berekeningsmethode voor het opslagpercentage werd gehanteerd dan in de raamovereenkomst was vastgelegd.
Computacenter en Protinus dienden tijdig inschrijvingen in, maar Computacenter werd terzijde gelegd vanwege een hoger opslagpercentage in een tabblad dat volgens de Staat niet mocht worden gebruikt. De Staat trok vervolgens de minicompetitie in, stellende dat de afwijkende berekeningsmethode en onduidelijkheden in de uitvraag de inschrijvingen onvergelijkbaar maakten.
Computacenter en Protinus stelden vorderingen in om de intrekking ongedaan te maken of de minicompetitie voort te zetten. De rechtbank oordeelde dat de intrekking gerechtvaardigd is omdat de afwijkende berekeningsmethode een wezenlijk verschil vormt met de raamovereenkomst, waardoor de inschrijvingen niet vergelijkbaar zijn. De vorderingen van Computacenter en Protinus werden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang of niet vervulde voorwaarden.
De rechtbank veroordeelde Computacenter tot betaling van proceskosten aan Protinus en de Staat, en Protinus tot betaling van proceskosten aan beide partijen in de andere procedure. De intrekking van de minicompetitie blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de Staat de minicompetitie terecht heeft ingetrokken vanwege een afwijkende berekeningsmethode voor het opslagpercentage, waardoor inschrijvingen niet vergelijkbaar zijn.