ECLI:NL:RBDHA:2026:21377

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702718 / KG ZA 26-356
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 6:119 BWArt. 217 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake aanbestedingsprocedure EA GU VAR Gereedschappen

Technisch Bureau Magema heeft een kort geding aangespannen tegen de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) naar aanleiding van de gunningsbeslissing van een Europese openbare aanbestedingsprocedure voor de opdracht 'EA GU VAR Gereedschappen – Aanschaf en dienstverlening'. Magema betwist de tweede gunningsbeslissing waarbij zij opnieuw als tweede is geëindigd en de opdracht voornemens is gegund aan Lasaulec B.V.

Magema stelt dat de Staat onvoldoende inzicht heeft gegeven in de beoordeling van het prijscriterium en dat de beoordelingsmethodiek niet controleerbaar is, wat strijd zou opleveren met het transparantiebeginsel. Tevens betwist zij de scores op kwalitatieve subgunningscriteria, met name subgunningscriteria 2, 3 en 5. De Staat en Lasaulec verzetten zich tegen deze vorderingen en vragen afwijzing.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Magema haar bezwaren te laat heeft ingebracht en dat de beoordelingsmethodiek vooraf voldoende inzichtelijk was. De beperkte toetsingsvrijheid van de rechter bij kwalitatieve criteria leidt ertoe dat de beoordeling door het deskundige beoordelingsteam niet onbegrijpelijk of evident onjuist is gebleken. De motivering van de gunningsbeslissing voldoet aan de vereisten en biedt voldoende inzicht in de keuze voor Lasaulec.

Daarom worden alle vorderingen van Magema afgewezen. Lasaulec wordt veroordeeld in de kosten van de Staat, en Magema wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel de Staat als Lasaulec. De kostenveroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Technisch Bureau Magema af en bevestigt de gunningsbeslissing ten gunste van Lasaulec.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702718 / KG ZA 26-356
Vonnis in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van
TECHNISCH BUREAU MAGEMAte Schiedam,
eiseres,
advocaten mr. S.C. Brackmann en mr. L. Sylaj, beiden te Rotterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN(ministerie van Defensie, Commando Landstrijdkrachten (CLAS), Materieel Logistiek Commando (MatLogCo)) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. D.R. Wolters Rückert en mr. L.S.L. van Pelt, beiden te Den Haag,
waarin is tussengekomen:
LASAULEC B.V.te Heerenveen,
advocaten mr. P.F.C. Heemskerk en mr. M.L. Welling de Arruda, beiden te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Magema’, ‘de Staat’ en ‘Lasaulec’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 april 2026 met producties 1 tot en met 19;
- de akte overlegging aanvullende productie 20 van de zijde van Magema;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van de zijde van Lasaulec met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- de akte overlegging aanvullende producties 21 en 22 van de zijde van Magema.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 10 juli 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Magema en Lasaulec het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst, althans voeging

2.1.
Lasaulec heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Magema en de Staat. Ter zitting hebben Magema en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Lasaulec is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft als bedoeld in artikel 217 Rv Pro. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
Op 8 mei 2025 heeft de Staat een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht met de titel ‘EA GU VAR Gereedschappen – Aanschaf en dienstverlening’, hierna ‘de opdracht’. De opdracht zal worden gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving (gebaseerd op de beste prijs-kwaliteitverhouding).
3.2.
Tot de aanbestedingsstukken behoren onder meer de Aanbestedingsleidraad, de ‘Vraagspecificatie VAR Gereedschappen’ (de Vraagspecificatie), een Prijs-document, de Inschrijfstaat en ‘Bijlage 9 – Demo catalogus’. Verder heeft de Staat in een Nota van Inlichtingen vragen van potentiële inschrijvers beantwoord.
3.3.
In paragraaf 1.3.2 van de Aanbestedingsleidraad heeft de Staat beschreven hoe wordt bepaald welke inschrijver de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan. Daarbij is vermeld dat de inschrijfsom wordt gevormd door de totale inschrijfsom van de door de inschrijver ingevulde Inschrijfstaat, waarop een fictieve korting wordt toegekend op basis van de beoordeling van de kwalitatieve subgunningscriteria door het beoordelingsteam.
3.4.
Op de Inschrijfstaat moesten inschrijvers onder meer prijzen opgeven voor ruim vijfhonderd op de Inschrijfstaat genoemde artikelen. Per artikel moesten zij in de betreffende artikelregel de prijs opgeven waarvoor zij het artikel of een gelijkwaardig alternatief in 2024 hadden ingekocht. Verder moesten de inschrijvers per artikel twee gelijkwaardige artikelen aanbieden, waarvoor zij ook hun inkoopprijs in 2024 moesten opgeven. Per artikelregel moesten dus drie artikelen worden genoemd. In het Prijs-document is vermeld dat de prijsvergelijking zal plaatsvinden op basis van het rekenkundig gemiddelde van de drie aangeboden inkoopprijzen per artikel van de lijst.
3.5.
In de Nota van Inlichtingen is onder nummer 57 een vraag gesteld over (samengevat) het invullen van de Inschrijfstaat als er geen technisch gelijke/gelijkwaardige alternatieven zijn of als die alternatieven er wel zijn, maar deze niet in 2024 door de inschrijver zijn ingekocht. De Staat heeft deze vraag in een apart document als volgt beantwoord:
(…)
3.6.
Met betrekking tot het subgunningscriterium kwaliteit is in paragraaf 1.3.4 van de Aanbestedingsleidraad opgenomen:
In paragraaf 1.3.5 van de Aanbestedingsleidraad is het beoordelingskader met betrekking tot het subgunningscriterium kwaliteit als volgt beschreven:
Daarbij is vermeld dat de volgende scores konden worden behaald:
3.7.
De kwalitatieve subgunningscriteria zijn in de Aanbestedingsleidraad beschreven in paragraaf 1.4.5 (Subgunningscriterium 1: Implementatieplan), paragraaf 1.4.6 (Subgunningscriterium 2: Realisatieplan doelstellingen Defensie), paragraaf 1.4.7 (Subgunningscriterium 3: Gebruiksgemak catalogus- en bestelomgeving), paragraaf 1.4.8 (Subgunningscriterium 4: Plan duurzaamheid) en paragraaf 1.4.9 (Subgunningscriterium 5: Gereedschapssets).
3.8.
In Bijlage 9 – Demo catalogus – is in aanvulling op de Vraagspecificatie voorgeschreven dat de opdrachtnemer een werkende online demo catalogus beschikbaar moet stellen, die de door de inschrijver ingediende beschrijving en afbeelding(en) ondersteunt/verduidelijkt. Daarbij is toegelicht dat de beoordelaars de demo catalogus zullen gebruiken als verduidelijking op de beschrijving met eventuele ondersteunende afbeeldingen en dat de beschrijving bij onduidelijkheden prevaleert.
3.9.
In het kader van de beoordeling van subgunningscriterium 5 ‘Gereedschapsset’ moesten inschrijvers een gereedschapsset met volledige inhoud ter beschikking stellen zoals is beschreven in bijlage 8 bij de Aanbestedingsleidraad. In die bijlage is vermeld dat het beoordelingsteam de beschikbaar gestelde gereedschapsset zal testen op degelijkheid en kwaliteit en op overzichtelijkheid en bruikbaarheid. Met betrekking tot de degelijkheid en kwaliteit is daarbij onder meer benoemd dat het foam-inlay voldoende klemkracht moet hebben, dat de behuizing inclusief gereedschappen bij de test op zijn kop wordt gehouden en dat er dan geen gereedschappen uit de inlay mogen vallen.
3.10.
In paragraaf 1.5.3 van de Aanbestedingsleidraad is onder meer opgenomen dat vragen over de aanbestedingsstukken en bezwaren tegen (delen van) de aanbestedingsprocedure zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voorafgaand aan de Nota van Inlichtingen, aan de Staat kenbaar moeten worden gemaakt. Daarbij is er op gewezen dat de inschrijver tijdens de daarvoor gestelde termijn het recht heeft om bezwaar te maken tegen eventuele gebreken of onduidelijkheden en dat als de inschrijver dat niet doet, daar in principe niet meer op kan worden teruggekomen.
3.11.
Magema heeft tijdig een inschrijving ingediend.
3.12.
Bij brief van 28 oktober 2025 heeft de Staat aan Magema meegedeeld dat zij niet de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan, dat de inschrijving van Magema op de tweede plaats is geëindigd en dat de Staat voornemens is de opdracht te gunnen aan Lasaulec (hierna ‘de eerste gunningsbeslissing’). Magema heeft bij brief van 5 november 2025 aan de Staat meegedeeld dat zij zich niet in de eerste gunningsbeslissing kon vinden en zij heeft, nadat de Staat de bezwaren van Magema had afgewezen, een kort geding tegen de Staat aanhangig gemaakt.
3.13.
De Staat heeft bij brief van 19 december 2025 aan Magema laten weten dat de eerste gunningsbeslissing zal worden ingetrokken, omdat bij de beoordeling van de kwalitatieve subgunningscriteria aspecten zijn betrokken die geen deel uitmaken van het beoordelingskader en omdat er in de motivering veelvuldig onjuiste verwijzingen zijn opgenomen. Daarbij heeft de Staat vermeld dat alle inschrijvingen door een nieuw beoordelingsteam zullen worden beoordeeld op de kwalitatieve subgunningscriteria 1 tot en met 4 en dat ook de Inschrijfstaten opnieuw zullen worden beoordeeld op het onderdeel prijs. Magema heeft hierop het aanhangig gemaakte kort geding ingetrokken.
3.14.
Op 5 maart 2026 heeft de Staat schriftelijk aan Magema kenbaar gemaakt dat uit de uitgevoerde herbeoordeling is gebleken dat Magema niet de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan en dat zij opnieuw op de tweede plaats is geëindigd (hierna ‘de tweede gunningsbeslissing’). Daarbij heeft de Staat het voornemen geuit om de opdracht te gunnen aan Lasaulec. In Bijlage A bij de tweede gunningsbeslissing heeft de Staat de door Magema behaalde scores op de subgunningscriteria vermeld. Daarbij is per subgunningscriterium een toelichting gegeven en zijn de relatieve voordelen van de inschrijving van Lasaulec beschreven.
3.15.
Magema heeft bij brief van 24 maart 2026 aan de Staat meegedeeld dat zij zich niet kan vinden in de tweede gunningsbeslissing en in de aan Magema toegekende scores. Bij brief van 1 april 2026 heeft de Staat op de bezwaren van Magema gereageerd en laten weten dat het beoordelingsteam in de bezwaren van Magema geen aanleiding heeft gezien om op de beoordeling terug te komen.

4.Het geschil

4.1.
Magema vordert
primairde Staat te gebieden de tweede gunningsbeslissing in te trekken en ingetrokken te houden en de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden;
subsidiairde Staat te gebieden de tweede gunningsbeslissing in te trekken en ingetrokken te houden, de inschrijving van Lasaulec uit te sluiten vanwege de ongeldigheid ervan en de opdracht aan Magema te gunnen, dan wel een nieuwe gunningsbeslissing te nemen;
meer subsidiairde Staat te gebieden de tweede gunningsbeslissing in te trekken en ingetrokken te houden, op grond van artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid te verstrekken, op grond van artikel 194 en Pro/of 195 Rv afschrift te verstrekken van informatie, documenten en/of gegevens omtrent de totstandkoming van de score op het gunningscriterium ‘prijs’ van de inschrijving van Magema en Magema vervolgens een termijn te geven om haar juridische positie te bepalen en om haar standpunten en vorderingen aan te passen;
nog meer subsidiairde Staat te gebieden de tweede gunningsbeslissing in te trekken en ingetrokken te houden, de inschrijving van Magema opnieuw te beoordelen op alle kwalitatieve gunningscriteria door beoordelaars die voldoen aan de in de aanbestedingsstukken vermelde instructies en die niet betrokken waren bij de eerste of de tweede beoordeling, en de inschrijving van Magema opnieuw te beoordelen op het prijscriterium door een of meer deskundige derden die de inschrijving beoordeelt/beoordelen en controleert/controleren conform het in de aanbestedingsstukken beschreven proces, een nieuwe, deugdelijk gemotiveerde gunningsbeslissing te nemen en Magema te informeren over de beoordelaars en over het proces en
uiterst subsidiaireen in goede justitie te bepalen maatregel te treffen die recht doet aan de belangen van Magema, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Daartoe stelt Magema – samengevat – het volgende. De Staat heeft in de tweede gunningsbeslissing onvoldoende toegelicht hoe de Inschrijfstaten met betrekking tot het onderdeel prijs zijn beoordeeld en hoe de aan Magema toegekende score voor het onderdeel prijs is berekend. De door de Staat gekozen beoordelingsmethodiek leidt er toe dat een inschrijver niet kan controleren of haar inschrijving juist is beoordeeld. Door die methodiek kan een inschrijver ook niet controleren of een andere inschrijver een artikel wel heeft aangeboden en of de aangeboden prijs niet irreëel, manipulatief of abnormaal laag/hoog is. Daarmee is de aanbestedingsprocedure in strijd met de fundamentele beginselen van aanbestedingsrecht, in het bijzonder het transparantiebeginsel. Daarom moet de aanbestedingsprocedure worden gestaakt, dan wel moet de Staat meer informatie verstrekken over de totstandkoming van de score van Magema op het gunningscriterium ‘prijs’, althans moet de inschrijving van Magema opnieuw worden beoordeeld op het onderdeel prijs.
Daarnaast kan Magema zich niet verenigen met de aan haar toegekende scores op de subgunningscriteria 2, 3 en 5, omdat de door de Staat gegeven onderbouwing van de gegeven score (feitelijk) onjuist is en niet is terug te voeren op de inschrijving van Magema. Daarom moet de inschrijving van Magema ook opnieuw worden beoordeeld voor wat betreft de kwalitatieve gunningscriteria.
4.3.
De Staat en Lasaulec concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Magema, met veroordeling van Magema in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Hun verweer zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
4.4.
Lasaulec vordert
primairde Staat te gebieden de opdracht definitief aan Lasaulec te gunnen en
subsidiairindien de vorderingen van Magema worden toegewezen, ter overbrugging van de periode tot definitieve gunning van de opdracht, de opdracht door Lasaulec te laten uitvoeren. Verkort weergegeven stelt Lasaulec daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Magema, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.
4.5.
Ter zitting heeft Lasaulec toegelicht dat zij met haar primaire vordering beoogt te bewerkstelligen dat de opdracht aan haar wordt gegund, maar uiteraard alleen als de Staat de opdracht nog wenst te gunnen. Volgens Lasaulec moet dit laatste in de in de incidentele conclusie vermelde primaire vordering worden ingelezen. De advocaat van Magema heeft hiertegenover betoogd dat Lasaulec haar eis niet formeel heeft gewijzigd, maar dat Magema een oordeel daarover aan de voorzieningenrechter overlaat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de namens Lasaulec ter zitting gegeven toelichting aldus moet worden begrepen, dat slechts zou kunnen worden toegewezen het mindere van het gevorderde, namelijk ‘voor zover de Staat de opdracht nog wenst te gunnen’. De voorzieningenrechter ziet de toelichting dus niet als een wijziging van eis.
4.6.
De standpunten van Magema en de Staat met betrekking tot de vorderingen van Lasaulec zullen hierna zo nodig worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

5.1.
Tussen partijen is (samengevat) in geschil of de Staat de aanbestedingsprocedure moet staken, of de Staat meer informatie moet verstrekken, of de inschrijving van Magema opnieuw moet worden beoordeeld en of er aanleiding bestaat om een andere voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit allemaal niet het geval is. Hierna zal dit oordeel worden gemotiveerd.
Gunningscriterium prijs
5.2.
Magema heeft betoogd dat de Staat onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de door Magema behaalde score op het prijscriterium is berekend en hoe de prijzen van Magema zijn gecorrigeerd. Magema heeft daarbij gesteld dat de Staat met een beroep op bedrijfsvertrouwelijkheid heeft geweigerd om aan Magema kenbaar te maken of bij de artikelen waarvoor Magema geen prijs of alternatief heeft opgegeven, de prijzen van Lasaulec zijn gebruikt en of daarbij is gecontroleerd of de opgegeven producten gelijkwaardig zijn en in 2024 zijn ingekocht. Volgens Magema is het prijscriterium zonder die informatie niet controleerbaar en betekent dat dat de door de Staat gekozen beoordelingsmethodiek in strijd is met de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht, meer in het bijzonder het transparantiebeginsel. Dit geldt te meer in de situatie waarin er maar één andere geldige inschrijving is gedaan en de prijzen van die inschrijver bepalend zijn voor score van de andere inschrijver, aldus Magema.
5.3.
Uit het Grossmann-arrest (HvJEG 12 februari 2004, C230/02) en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat van een adequaat handelende inschrijver mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt bij het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een aanbestedingsprocedure. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de inschrijver ten opzichte van de aanbestedende dienst in acht moet nemen, brengen mee dat hij zijn bezwaren duidelijk naar voren brengt en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden zo nodig kunnen worden gecorrigeerd met zo min mogelijk consequenties voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure. In paragraaf 1.5.3 van de Aanbestedingsleidraad is ook opgenomen dat vragen, tegenstrijdigheden en bezwaren zo spoedig mogelijk naar voren moeten worden gebracht, waarbij is vermeld dat niet meer kan worden teruggekomen op bezwaren indien deze niet voor de gestelde termijn zijn gemaakt (zie hiervoor in 3.10.).
5.4.
De Staat heeft de beoordelingsmethodiek voor wat betreft het prijscriterium beschreven en toegelicht in paragraaf 1.3.2 van de Aanbestedingsleidraad, op de Inschrijfstaat, in het Prijs-document en in het antwoord op vraag 57 van de Nota van Inlichtingen. Daarmee was voor alle inschrijvers inzichtelijk op welke wijze de prijs zou worden berekend. Door haar inschrijving in te dienen heeft Magema met die vooraf bekend gemaakte beoordelingsmethodiek ingestemd, maar zij heeft daartegen pas bezwaar gemaakt nadat voor haar duidelijk was geworden dat de opdracht niet aan haar zou worden gegund. Dat is gelet op het voorgaande te laat en daarmee heeft Magema haar rechten op dit punt verwerkt.
5.5.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van Magema dat de beoordelingsmethodiek in het bijzonder ongunstig uitpakt in de situatie dat er slechts twee geldige inschrijvingen zijn gedaan en dat Magema daarmee pas na de tweede gunningsbeslissing bekend is geworden, zodat zij daarover niet eerder had kunnen klagen. Magema heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat zij uit de aanbestedingsstukken heeft mogen afleiden dat het prijscriterium zou worden beoordeeld op basis van in ieder geval meer dan twee geldige inschrijvingen. Magema had er daarom als normaal oplettende inschrijver voordat zij haar inschrijving deed al rekening mee kunnen en moeten houden dat er slechts één andere geldige inschrijver zou zijn en zij had daarom ook voor die situatie moeten nagaan of zij zich kon vinden in de door de Staat gehanteerde beoordelingsmethodiek. Dat sprake is van strijdigheid met fundamentele beginselen van aanbestedingsrecht heeft Magema hiertegenover niet voldoende toegelicht.
5.6.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het staken van de aanbestedingsprocedure, het uitsluiten van de inschrijving van Lasaulec, het verstrekken van nadere inlichtingen op grond van artikel 21 Rv Pro, althans artikel 194/195 Rv, of een herbeoordeling van het prijscriterium. Dat betekent dat de primaire, de subsidiaire, de meer subsidiaire en de nog meer subsidiaire vorderingen (voor wat betreft het gunningscriterium prijs) worden afgewezen.
De beoordeling van de inschrijving van Magema
5.7.
Magema heeft bezwaren naar voren gebracht tegen diverse onderdelen van de beoordeling van haar inschrijving. Deze zullen hierna per subgunningscriterium worden besproken en beoordeeld. Daarbij wordt vooropgesteld dat aan de voorzieningenrechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toekomt bij de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelaars, van wie de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet bij de beoordeling van de inschrijvingen de nodige vrijheid worden gegund. Alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling of van procedurele of inhoudelijke evidente onjuistheden of onduidelijkheden in de beoordeling is er ruimte voor ingrijpen door de voorzieningenrechter.
Subgunningscriterium 2
5.8.
Magema heeft (samengevat) gesteld dat het beoordelingsteam bij de beoordeling van de inschrijving van Magema op subgunningscriterium 2 aan Magema op bepaalde aspecten ten onrechte een te lage score heeft toegekend vanwege onduidelijkheid of het ontbreken van informatie. Volgens Magema heeft de Staat met betrekking tot een deel van die aspecten in de aanbestedingsstukken zelf de kaders, frequenties of eisen voorgeschreven en heeft de Staat met betrekking tot andere onderdelen de betreffende informatie uitgevraagd bij andere subgunningscriteria, zodat Magema de verlangde informatie al in het kader van die subgunningscriteria heeft verstrekt. Meer inhoudelijk heeft Magema gesteld dat haar inschrijving aan de kwalitatieve subgunningscriteria voldoet. Zij heeft daarbij onder meer naar voren gebracht dat zij de vragen met betrekking tot de bestelfunctionaliteit en het aanmelden van retouren al heeft beantwoord in het kader van subgunningscriterium 3, dat de meet- en overlegfrequenties in haar inschrijving wel meetbaar zijn, dat zij duidelijk heeft gemaakt wat zij bedoelt met bepaalde termen, dat zij in het kader van de subgunningscriteria 1 en 3 heeft beschreven hoe wordt vastgesteld of informatie verouderd is of ontbreekt, dat zij een realistische werkwijze heeft beschreven ten aanzien van vragen die nader onderzoek of afstemming met een derde partij vergen en dat zij voldoende is ingegaan op de datavoorzieningen.
5.9.
Magema heeft met betrekking tot subgunningscriterium 2 de score ‘voldoende’ behaald. Dit betekent gelet op het in paragraaf 1.3.5 van de Aanbestedingsleidraad bekend gemaakte beoordelingskader dat de inschrijving van Magema op dit punt past bij de gewenste situatie, maar geen meerwaarde biedt, en dat in de beantwoording is ingegaan op de vraag, maar niet in de gewenste mate van detail of op alle aspecten. De Staat heeft tegenover de stellingen van Magema voldoende onderbouwd dat de in de aanbestedingsstukken beschreven frequenties en kaders slechts minimumeisen betreffen en dat het aan de inschrijvers is om daar in hun Realisatieplannen verdere concrete invulling aan te geven om aan te tonen dat zij op de betreffende onderdelen meerwaarde bieden. Voor zover Magema erop heeft gewezen dat zij in haar inschrijving bepaalde aspecten die betrekking hebben op subgunningscriterium 2 heeft beschreven bij de subgunningscriteria 1 en 3, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot een optimaal logistiek proces, heeft de Staat terecht naar voren gebracht dat het beoordelingsteam bij de beoordeling van subgunningscriterium 2 vanzelfsprekend geen informatie mag betrekken die is vermeld bij de onderbouwing van de overige subgunningscriteria. Van Magema mocht worden verlangd dat zij haar inschrijving per subgunningscriterium volledig en concreet zou uitwerken. Verder heeft de Staat toegelicht dat Magema in haar inschrijving heeft nagelaten om voldoende concreet in te gaan op bepaalde aspecten, zoals termijnen voor het in behandeling nemen van vragen en het afhandelen van klachten en bepaalde beheersmaatregelen, dat zij daarmee niet meer heeft aangeboden dan waartoe zij minimaal verplicht was en dat het beoordelingsteam daarmee in redelijkheid bij de beoordeling rekening heeft kunnen houden. Ten slotte heeft de Staat toegelicht dat Magema in haar plan onvoldoende concreet heeft gemaakt wat zij met onder meer de begrippen ‘structureel’ en ‘het juiste niveau’ heeft bedoeld en hoe bepaalde onderdelen van haar inschrijving zich tot elkaar verhouden.
5.10.
Tegenover het betoog van de Staat heeft Magema haar bezwaren tegen de beoordeling van subgunningscriterium 2 naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende concreet gemaakt en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat het beoordelingsteam evidente fouten heeft gemaakt en haar in redelijkheid niet de score ‘voldoende’ heeft kunnen toekennen. Dat Magema het met de door haar behaalde score niet eens is, is daarvoor niet genoeg.
Subgunningscriterium 3
5.11.
Met betrekking tot subgunningscriterium 3 heeft Magema gesteld dat uit de reactie van de Staat op de door Magema geuite bezwaren niet volgt dat de Staat heeft gecontroleerd of Lasaulec haar demo catalogus gedurende de aanbestedingsprocedure en dus in strijd met de aanbestedingsstukken heeft aangepast. Daarom gaat Magema ervan uit dat de demo-catalogus is gewijzigd, omdat de Staat het tegendeel anders wel had bevestigd. Dit betekent dat de inschrijving van Lasaulec ongeldig is, aldus Magema. Verder heeft Magema naar voren gebracht dat uit de gebruiksgegevens van de demo catalogus is gebleken dat deze catalogus tijdens de herbeoordeling, vergeleken met de eerste beoordeling, veel minder is bezocht en dat de zoekfunctie daarbij niet is gebruikt. Magema twijfelt daarom aan de zorgvuldigheid van de herbeoordeling.
5.12.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat terecht erop gewezen dat in Bijlage 9 bij de Aanbestedingsleidraad is toegelicht dat de demo catalogus bij de beoordeling van subgunningscriterium 3 alleen zal worden gebruikt als verduidelijking op de door de inschrijver gegeven beschrijving en dat deze daarom bij die beoordeling niet doorslaggevend is. Daar komt nog bij dat Magema de juistheid van haar stelling dat Lasaulec haar demo catalogus heeft aangepast niet aannemelijk heeft gemaakt tegenover de uitdrukkelijke bevestiging van de algemeen directeur van Lasaulec dat Lasaulec na haar inschrijving geen wijzigingen in haar demo catalogus heeft aangebracht. Dat Lasaulec bij de herbeoordeling een hogere score heeft behaald dan bij de eerste beoordeling is een onvoldoende onderbouwing voor deze stelling van Magema, omdat een herbeoordeling met zich brengt dat een andere en dus ook een hogere score kan worden toegekend. Dat de demo catalogus in het kader van de herbeoordeling minder is bezocht, zoals Magema heeft betoogd, maakt het voorgaande niet anders. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat op dit punt voldoende toegelicht dat het raadplegen van de demo catalogus bij de herbeoordeling vrijwel niet nodig is geweest, omdat zowel Magema als Lasaulec op dit onderdeel de score ‘uitstekend’ hebben behaald. Magema heeft hiertegenover niet concreet gemaakt dat de herbeoordeling onzorgvuldig heeft plaatsgevonden en daarmee evenmin dat de inschrijving van Lasaulec ongeldig moet worden verklaard.
Subgunningscriterium 5
5.13.
Magema kan zich niet verenigen met het oordeel van het beoordelingsteam dat de door Magema ingediende gereedschapskist niet voldoet aan de eis dat de gereedschappen bij hantering niet uit de kist mogen vallen of mogen verschuiven. Volgens Magema is het onmogelijk dat het gereedschap uit haar gereedschapskist valt en blijkt uit een door haar zelf uitgevoerde test dat de gereedschapskist volledig aan de eisen voldoet. Daarbij heeft Magema er op gewezen dat de Staat de test zonder tray en daarmee op een onjuiste manier heeft uitgevoerd.
5.14.
In zijn brief van 19 december 2025 heeft de Staat aan Magema meegedeeld dat alle inschrijvingen door een nieuw beoordelingsteam zullen worden beoordeeld op de kwalitatieve subgunningscriteria 1 tot en met 4 en dat ook de Inschrijfstaten opnieuw zullen worden beoordeeld op het onderdeel prijs. Daarmee heeft de Staat subgunningscriterium 5 uitgesloten van de herbeoordeling en dat betekent dat voor Magema duidelijk had moeten zijn dat de behaalde scores met betrekking tot subgunningscriterium 5 en de daarvoor gegeven motivering in stand zouden blijven.
5.15.
Magema heeft niet binnen de vervaltermijn na de eerste gunningsbeslissing, maar pas in het kader van de onderhavige kortgedingprocedure bezwaar gemaakt tegen het oordeel van het beoordelingsteam met betrekking tot subgunningscriterium 5 en daarmee is zij te laat met haar bezwaar. Daar komt nog bij dat de Staat voldoende heeft onderbouwd dat de test van de gereedschapskist op de in de aanbestedingsstukken beschreven wijze heeft plaatsgevonden. Hiertegenover heeft Magema niet aannemelijk gemaakt dat er bij het uitvoeren van de test evidente fouten zijn gemaakt. Uit de op de zitting gegeven demonstratie bleek namelijk dat (slechts) niets uit de gereedschapskist van Magema valt als er over het stuk gereedschap dat er bij de beoordelingscommissie uitviel, een zwart kunststof plaatje in de uitsparing boven dit gereedschap wordt herplaatst. Voor een herbeoordeling van de inschrijvingen op subgunningscriterium 5 bestaat daarom geen aanleiding.
De motivering van de gunningsbeslissing
5.16.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van Magema dat de tweede gunningsbeslissing onvoldoende is gemotiveerd omdat Magema aan de hand daarvan niet kan controleren of de aan Lasaulec toegekende scores juist zijn. Op grond van vaste jurisprudentie moet de motivering van de gunningsbeslissing alle relevante redenen voor die beslissing bevatten. Hieronder vallen in ieder geval de kenmerken en voordelen van de winnende inschrijver. De achtergrond van die verplichting is dat een afgewezen inschrijver in staat moet worden gesteld om na te gaan om welke redenen zij niet en de winnende inschrijver wel is uitgekozen. Die motivering is echter niet bedoeld om het voor de afgewezen inschrijver mogelijk te maken om te controleren of de beoordeling op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, zoals Magema met haar vordering op dit punt beoogt.
5.17.
De Staat heeft in de tweede gunningsbeslissing per subgunningscriterium vermeld welke scores Magema en Lasaulec hebben behaald, waarbij een toelichting is gegeven op de door Magema behaalde scores en waarbij de relatieve voordelen van de inschrijving van Lasaulec ten opzichte van de inschrijving van Magema per subgunningscriterium zijn beschreven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Magema daarmee in voldoende mate heeft kunnen nagaan waarom de gunningsbeslissing in het voordeel van Lasaulec is uitgevallen.
Slotsom en proceskosten
5.18.
Het voorgaande betekent dat de primaire, subsidiaire, meer subsidiaire en nog meer subsidiaire vorderingen van Magema worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding voor het treffen van een andere maatregel die recht doet aan de belangen van Magema, zodat ook de uiterst subsidiaire vordering wordt afgewezen.
5.19.
Nu de Staat voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Lasaulec, brengt voormelde beslissing mee dat Lasaulec geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Lasaulec zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Magema in haar verhouding tot Lasaulec worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Lasaulec was immers te voorkomen dat de opdracht aan Magema zou worden gegund, welk doel is bereikt. Magema zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Lasaulec. Voorts zal Magema, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.
De proceskosten van zowel de Staat als Lasaulec worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
€ 189,00
(plus de in de beslissing vermelde verhoging)
Totaal
2.101,00
5.20.
De door de Staat en Lasaulec gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
veroordeelt Lasaulec voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt Magema in de overige proceskosten, die aan de zijde van zowel de Staat als Lasaulec zijn begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Magema niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Magema € 98 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt Magema ten behoeve van zowel de Staat als Lasaulec in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.5.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
mvt