ECLI:NL:RBDHA:2026:2131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.49922
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep tegen maatregel van bewaring

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring van 13 oktober 2025 en dit beroep later ingetrokken nadat de minister de maatregel op 21 oktober 2025 had opgeheven. Verzoeker vroeg vervolgens om een proceskostenveroordeling van de minister.

De rechtbank heeft onderzocht of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Uit de stukken blijkt dat de opheffing van de maatregel volgde op het indienen van aanvragen tot toetsing aan het EU-recht door verzoeker, en niet rechtstreeks op het beroep zelf.

Omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat de minister naar aanleiding van het beroep is tegemoetgekomen, oordeelt de rechtbank dat er geen grond is voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 9 februari 2026 door rechter R. Tesfai.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49922

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Braziliaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:]
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de maatregel van bewaring van 13 oktober 2025 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de minister op 21 oktober 2025 de maatregel van bewaring heeft opgeheven.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft hierop op 24 oktober 2025 gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 13 oktober 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Op 20 oktober 2025 heeft verzoeker aanvragen ingediend tot toetsing aan het EU-recht in verband met een familielid van een burger van de Unie (“Chavez-aanvragen”). Naar aanleiding van deze aanvragen heeft de minister op 21 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
4.2.
Door verzoeker is niet aangevoerd dat en waarom deze gang van zaken gezien moet worden als een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank is ook niet gebleken dat sprake is van een dergelijke tegemoetkoming. Uit de stukken blijkt namelijk niet dat de minister naar aanleiding van het beroep geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, maar dat de opheffing van de maatregel volgde nadat verzoeker na het indienen van het beroep de voormelde aanvragen had ingediend. Er bestaat dus geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
4.3.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).