ECLI:NL:RBDHA:2026:21248

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39961 en NL26.39900 enNL26.39964
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 50 lid 3 VwArt. 106 lid 1 VwArt. 94 lid 1 VwArt. 5.5 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugkeerbesluit, ophouding en vreemdelingenbewaring

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit, een daaropvolgende ophouding en een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Het terugkeerbesluit dateert van 2 november 2022, waartegen geen tijdig beroep is ingesteld, waardoor dit besluit onherroepelijk is geworden. De rechtbank verklaart het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de beroepstermijn.

Eiser betwist de rechtmatigheid van de ophouding niet, waardoor het beroep daartegen ongegrond wordt verklaard. De maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, met een feitelijke motivering die een onderduikrisico en het ontwijken van vertrek of uitzetting onderbouwt. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende wettelijke grondslag en een persoonsgerichte motivering heeft gegeven, ondanks het gebruik van afkortingen en het ontbreken van expliciete verwijzingen naar het Vreemdelingenbesluit 2000.

Eiser stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstond en dat het ophalen van zijn nieuwe paspoort bij het Surinaamse consulaat hierdoor versneld zou kunnen worden. De rechtbank acht dit niet aannemelijk en stelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend is. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt daarom ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter M.B. de Boer op 29 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en vreemdelingenbewaring worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.39961 (terugkeerbesluit), NL26.39900 (ophouding) en NL26.39964 (maatregel van vreemdelingenbewaring)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van Pro de Vw. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 november 2022 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Op 16 juli 2026 heeft de minister eiser opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De minister heeft de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring in kennis gesteld.
2.1.
Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring [2] en heeft ook tegen het terugkeerbesluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op 29 december 1992.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit
4. De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 2 november 2022 aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Daartegen zijn destijds geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor het terugkeerbesluit onherroepelijk is geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van de ophouding
5. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.
Ten aanzien van de maatregel van vreemdelingenbewaring
6. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [6]
6.1.
De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6.2.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6.3.
Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Bovendien worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Ook wordt niet expliciet verwezen naar de Vreemdelingenwet 2000 en naar het Voorschrift Vreemdelingen 2000, aangezien het jaartal 2000 niet in de maatregel wordt genoemd. Daarnaast is het besluit niet bevoegd genomen, aangezien in de ondertekening van de maatregel evenmin een geldige wettelijke bepaling is opgenomen, aldus eiser.
6.4.
Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 mei 2019 [7] dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders. Daarnaast is het de rechtbank voldoende duidelijk om welke afkortingen van wettelijke regelingen die zijn opgenomen in de maatregel het gaat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in deze context geen andere wet bestaat met dezelfde afkorting of een ander jaartal, zodat hierover redelijkerwijs geen onduidelijkheid kan bestaan. Voor zover eiser betoogt dat de maatregel onbevoegd is genomen, omdat in de ondertekening geen geldige wettelijke bepaling is opgenomen, volgt de rechtbank dit niet. De enkele omstandigheid dat in de ondertekening een afkorting is gebruikt, maakt niet dat het besluit onbevoegd is genomen. Uit de maatregel blijkt voldoende duidelijk dat de ondertekende ambtenaar bevoegd was tot het opleggen van de maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verder voert eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser wil zo snel mogelijk terug naar Suriname en kan sneller terugkeren als hij niet in bewaring verblijft. Op 29 juli 2026 ligt het nieuwe paspoort van eiser klaar bij het Surinaamse consulaat. Eiser kan zijn nieuwe paspoort niet ophalen zolang hij in bewaring zit. Een meldplicht zou in dit geval volstaan, aldus eiser. Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats [8] , waarin bewaring in iedere fase ultimum remedium dient te zijn.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel is gewezen op de gronden en de motivering daarvan, waaruit volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft toegelicht dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Daarvoor is onder meer van belang dat het terugkeerbesluit op 2 november 2022 aan eiser is opgelegd. Sindsdien zijn bijna vier jaar verstreken zonder dat eiser zelfstandig is vertrokken. Voor zover eiser ter zitting heeft aangevoerd dat het verkrijgen van een e-paspoort al sinds 2022 loopt en dat dit moeizaam verloopt, volgt de rechtbank eiser niet. De rechtbank begrijpt dat het aanvragen van een nieuw e-paspoort enige tijd in beslag kan nemen, maar acht zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk dat dit een periode van bijna vier jaar in beslag neemt. Dat eiser verder stelt dat hij met een meldplicht zijn paspoort sneller zou kunnen ophalen en daardoor sneller naar Suriname kan vertrekken, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het dossier blijkt dat eiser een machtiging heeft afgegeven voor het ophalen van zijn paspoort bij het Surinaamse consulaat. Uit het dossier blijkt verder dat de DT&V [9] hierover met eiser in gesprek zal gaan. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat die uitspraak betrekking heeft op grensdetentie en niet op vreemdelingenbewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ambtshalve geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [10]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk. De beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit (NL26.39961) niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.39900) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.39964) ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit bedraagt die termijn vier weken. Tegen de uitspraak voor zover deze gaat over de ophouding staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
9.Dient Terugkeer en Vertrek.
10.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.