ECLI:NL:RBDHA:2026:21245

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40457
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 45 lid 1 ProcedureverordeningArt. 94 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige grensdetentie wegens ontbreken noodzaak en onvoldoende onderzoek lichter middel

Eiser werd op 19 juli 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde de rechtbank hiervan in kennis, wat gelijkgesteld werd met een beroep en verzoek om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 28 juli 2026.

Eiser betoogde dat de grensdetentie niet noodzakelijk was en dat onvoldoende was onderzocht of een lichter middel volstond, mede gezien zijn individuele omstandigheden zoals het direct overgedragen paspoort en zijn status in Griekenland. De minister stelde dat de grensprocedure en grensdetentie noodzakelijk waren vanwege het grensbewakingsbelang en dat er voldoende onderzoek was gedaan.

De rechtbank oordeelde dat de minister voorbijging aan eerdere jurisprudentie waarin werd gesteld dat de grensprocedure niet verplicht is buiten de in artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde situaties. De noodzaak van grensdetentie moet op andere gronden worden onderbouwd, wat in deze zaak ontbrak. Ook is detentie een ultimum remedium en moet eerst worden onderzocht of lichtere middelen effectief zijn. De rechtbank concludeerde dat de opgelegde grensdetentie onrechtmatig was en beveelt onmiddellijke opheffing.

Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.320,- voor 11 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de minister in de proceskosten van €1.868,-. De uitspraak werd gedaan door rechter M.B. de Boer op 29 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de grensdetentie onrechtmatig, beveelt onmiddellijke opheffing en kent schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.40457
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Belkassem. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat er geen noodzaak is om de grensdetentie toe te passen. Ook voert eiser aan dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om een lichter middel toe te passen. Hierbij is volgens eiser onvoldoende gekeken naar de individuele omstandigheden van eiser, zoals zijn direct bij aankomst overgedragen paspoort en zijn status in Griekenland.
2. Bij de behandeling ter zitting heeft de minister betoogd dat de noodzaak van het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, is gelegen in het grensbewakingsbelang. Volgens de minister is er voldoende onderzoek gedaan naar alle relevante feiten en omstandigheden. Ook is er nog extra onderzoek nodig naar eisers status in Griekenland en zijn aankomst in Nederland vanuit Albanië.
3. Met dit standpunt gaat de minister echter voorbij aan het eerdere oordeel van de rechtbank in de uitspraken van 17 juli 2026 [1] dat uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt dat alleen in de daarin genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. In alle andere gevallen – zo ook in de zaak van eiser – is een lidstaat niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan. Dit maakt niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze – bijvoorbeeld omdat er een risico is op onderduiken – te zijn onderbouwd. Deze onderbouwing is door de minister in de onderhavige zaak evenwel niet gegeven.
4. De rechtbank overweegt verder dat het unierecht geen automatische koppeling legt tussen het toepassen van de grensprocedure en het plaatsen in grensdetentie. Detentie van een asielzoeker als uiterst middel kan enkel worden opgelegd indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Dat de minister in regelgeving of praktijk (nog) geen mogelijkheden ziet om bij een asielzoeker die zich aan de buitengrens presenteert een effectief lichter middel toe te passen, betekent niet dat die mogelijkheid niet bestaat. De rechtbank ziet daarom, zonder nadere motivering zoals bijvoorbeeld bij toepassing van de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarbij sprake is van aanknopingspunten voor toepassing van de Dublinverordening of Asiel- en Migratiebeheerverordening wordt gegeven, niet in dat met het niet opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel het grensbewakingsbelang zonder meer volledig wordt losgelaten.
5. De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat de aan eiser opgelegde grensdetentie onrechtmatig is, omdat niet is gebleken van de noodzaak daartoe en niet is gekeken of volstaan kon worden met een lichter middel.
6. De rechtbank hecht eraan op te merken dat het voorgaande niet betekent dat de minister op deze wijze niet meer over zou kunnen gaan tot het toepassen van grensdetentie. Als na een gedegen onderzoek is gebleken dat een lichter middel niet effectief is toe te passen, de bewaring noodzakelijk is en op grond van een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden evenredig is achten, dan kan de minister overgaan tot het toepassen van grensdetentie. En is unierechtelijk, in overeenstemming met het beginsel van ultimum remedium, verzekerd dat de detentie in dat specifieke geval niet anders kon en ook niet anders had gehoeven.
7. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden.
8. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). In dit verband merkt de rechtbank op dat hoewel het beroep is ingeleid met een kennisgeving, de gemachtigde van eiser het beroep schriftelijk heeft aangevuld door het indienen van beroepsgronden, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangemerkt als een relevante proceshandeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van heden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.320,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.