ECLI:NL:RBDHA:2026:21240

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL24.15860
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep terugkeerbesluit en inreisverbod

Verzoeker, van Chinese nationaliteit, kreeg op 20 maart 2024 een terugkeerbesluit, een inreisverbod van tien jaar en een signaal in het Schengen Informatiesysteem opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het bezwaar tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod werd doorgestuurd naar de rechtbank als beroepschrift. Verzoeker diende een verzoek om voorlopige voorziening in om de behandeling van het beroep in Nederland af te wachten.

Op 5 maart 2026 trok de gemachtigde van verzoeker het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om een proceskostenvergoeding. Tijdens de zitting op 6 maart 2026 werd dit verzoek om proceskostenvergoeding in de beroepsprocedure afgewezen. De voorzieningenrechter in deze voorlopige voorzieningprocedure verwijst naar die mondelinge uitspraak en ziet geen aanleiding om alsnog proceskosten toe te kennen.

De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om proceskostenvergoeding af en oordeelt dat ook geen vergoeding van griffierecht gerechtvaardigd is. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.F.A.M. Smeets en griffier M.A. Hollander en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen na intrekking van het beroep en de voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.15860
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [geboortedag] 1983, van Chinese nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de minister aan verzoeker een terugkeerbesluit, een inreisverbod voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering in het SIS [2] opgelegd.
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2026. De minister heeft het bezwaar van verzoeker, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, op 25 april 2024 doorgestuurd aan de rechtbank [3] omdat tegen deze onderdelen van het besluit rechtstreeks beroep openstaat. De rechtbank heeft het bezwaarschrift van verzoeker tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod als beroepschrift [4] geregistreerd. Verzoeker heeft hangende het beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.2.
Op 5 maart 2026, een dag voor de mondelinge behandeling op zitting, heeft de gemachtigde van verzoeker het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Zij heeft daarbij de rechtbank/voorzieningenrechter verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
1.3.
Op 6 maart 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen.

Overwegingen

2. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening was connex aan verzoekers beroep [5] tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Verzoeker heeft dit beroep ingetrokken – samen met dit verzoek om een voorlopige voorziening – en om een proceskostenvergoeding gevraagd. Bij mondelinge uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank dat verzoek om een proceskostenvergoeding in de beroepsprocedure afgewezen. De voorzieningenrechter verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 maart 2026, waarvan partijen een afschrift hebben ontvangen. De voorzieningenrechter ziet in deze connexe procedure geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Schengen Informatiesysteem.
3.Op grond van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.Zaaknummer AWB 25/18935.
5.Zaaknummer AWB 25/18935.