Uitspraak
[eiseres],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, L. Gezik als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.
Rechtbank Den Haag
Eisers, beiden van Turkse nationaliteit, dienden op 21 januari 2026 asielaanvragen in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk was voor de behandeling, gelet op eerdere asielverzoeken van eisers in Frankrijk en de bevestiging van Franse autoriteiten om hen terug te nemen.
Eisers voerden aan dat de minister de aanvragen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken vanwege bedreigingen en onvoldoende bescherming in Frankrijk. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Frankrijk geldt en dat Frankrijk zich heeft verbonden aan het claimakkoord om de aanvragen opnieuw te behandelen.
De rechtbank stelde vast dat de door eisers aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om overdracht naar Frankrijk als onevenredig hard te beschouwen. De melding bij de Franse politie was een mutatie van een eerdere melding en gaf geen concrete aanwijzingen dat Frankrijk geen bescherming zou bieden. Eisers hadden bovendien niet geïnformeerd naar de status van hun melding na vertrek uit Frankrijk.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen aanleiding had gezien om de asielaanvragen aan zich te trekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen werden afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.