ECLI:NL:RBDHA:2026:21234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20908 en NL26.20909 en NL26.22728 en NL26.22729
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening

Eisers, beiden van Turkse nationaliteit, dienden op 21 januari 2026 asielaanvragen in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk was voor de behandeling, gelet op eerdere asielverzoeken van eisers in Frankrijk en de bevestiging van Franse autoriteiten om hen terug te nemen.

Eisers voerden aan dat de minister de aanvragen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken vanwege bedreigingen en onvoldoende bescherming in Frankrijk. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Frankrijk geldt en dat Frankrijk zich heeft verbonden aan het claimakkoord om de aanvragen opnieuw te behandelen.

De rechtbank stelde vast dat de door eisers aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om overdracht naar Frankrijk als onevenredig hard te beschouwen. De melding bij de Franse politie was een mutatie van een eerdere melding en gaf geen concrete aanwijzingen dat Frankrijk geen bescherming zou bieden. Eisers hadden bovendien niet geïnformeerd naar de status van hun melding na vertrek uit Frankrijk.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen aanleiding had gezien om de asielaanvragen aan zich te trekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen werden afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.20908 en NL26.22728 (beroep)
NL26.20909 en NL26.22729 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorlopige voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres],

geboren [geboortedag 1] 1972, van Turkse nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),
en
[eiser],
geboren op [geboortedag 2] 1989, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. C. van Breda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en hun verzoeken om een voorlopige voorziening inhoudende dat zij hun beroepsprocedure in Nederland mogen afwachten.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met de bestreden besluiten van 9 en 14 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. [1]
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, L. Gezik als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden eisers asielaanvragen heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn en de voorlopige voorzieningen worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eisers hebben op 21 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met de besluiten van 9 en 14 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Frankrijk volgens de minister verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Uit Eurodac is gebleken dat eisers in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Daarbij is gebleken dat de autoriteiten van Frankrijk dit verzoek om internationale bescherming hebben afgewezen. Daarom heeft Nederland op 5 februari 2026 de autoriteiten van Frankrijk verzocht eisers terug te nemen. Op 19 en 20 februari 2026 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan. [2]
Artikel 17 Dublinverordening Pro
5. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor hun asielverzoeken aan zich had moet trekken. Eiser heeft in zijn gehoor uitgelegd dat hij bedreigd is in Frankrijk door zowel leden van de PKK [3] als door zijn ex-schoonfamilie. Eiser heeft in Frankrijk geprobeerd bescherming te krijgen maar dit is niet gelukt. De politie heeft de aangifte opgenomen maar verder geen actie ondernomen. Eisers hebben om die reden geen vertrouwen in de bescherming door de Franse autoriteiten. De minister is te makkelijk uitgegaan van de bescherming door de Franse autoriteiten.
5.1.
De rechtbank overweegt dat als een lidstaat niet verplicht is een asielaanvraag in behandeling te nemen, die lidstaat een asielaanvraag alsnog onverplicht in behandeling kan nemen. [4] In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt. De minister gebruikt deze bevoegdheid in ieder geval indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan die lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank toetst deze discretionaire bevoegdheid van de minister dus terughoudend.
5.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst staat tussen partijen niet ter discussie dat er kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Frankrijk. Bovendien heeft Frankrijk met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvragen van eisers opnieuw zullen worden behandeld en dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen. Op de zitting is verder gebleken dat de aangifte die eisers tegen de ex-(schoon)familie hebben gedaan geen aangifte is, maar een mutatie van de melding die eisers bij de politie hebben gedaan. Uit deze melding blijkt dat eisers hebben verteld dat eiser problemen heeft met zijn ex-schoonfamilie en dat er twee mannen bij het huis van eiseres hebben gestaan en naar haar keken. Uit deze melding volgt niet waarom deze mannen dat deden en dat deze mannen door de ex-schoonfamilie van eiser zijn gestuurd. Wat hier ook van zij, de politie heeft eisers gehoord en de melding op papier gezet. Eisers hebben de melding op 16 januari 2026 gedaan en hebben op 21 januari 2026 asiel in Nederland aangevraagd. De rechtbank ziet niet dat Frankrijk eisers niet zou willen beschermen omdat zij binnen deze korte tijd geen bescherming hebben verleend. Het feit dat de politie de melding heeft afgesloten is daarvoor ook niet voldoende. Eisers hebben immers na vertrek uit Frankrijk niet geïnformeerd naar de melding en weten dus ook niet of de autoriteiten bescherming hadden willen bieden. Ook hebben eisers op de zitting verklaard dat zij ongeacht de uitkomst van de melding bij de politie al van plan waren Frankrijk te verlaten. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom deze omstandigheden maken dat overdracht naar Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvragen aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.
7. Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder nummer: NL26.20908 en NL26.22728,
- verklaart de beroepen ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder nummer: NL26.20909 en NL26.22729,
- wijst de verzoeken af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
3.Partiya Karkerên Kurdistan.
4.Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.