Opposant diende op 15 november 2023 een asielaanvraag in. De minister nam niet tijdig een besluit, waarna opposant op 10 juli 2025 beroep instelde tegen deze niet-beslissing. De rechtbank verklaarde het beroep op 4 september 2025 niet-ontvankelijk wegens een vermeende premature ingebrekestelling, omdat zij aannam dat het besluitmoratorium van zes maanden vanaf 11 december 2024 gold en de beslistermijn daardoor verlengd was tot maximaal 21 maanden.
Opposant stelde dat de beslistermijn van zes maanden door het moratorium met een jaar werd verlengd, waardoor een termijn van achttien maanden gold. De rechtbank herzag haar eerdere standpunt en oordeelde dat het beroep ontvankelijk en gegrond was, omdat de minister na het verstrijken van deze termijn op 23 juni 2025 in gebreke was gesteld en opposant daarna tijdig beroep had ingesteld.
De rechtbank vernietigde de eerdere niet-ontvankelijkverklaring, beval de minister binnen acht weken alsnog een besluit te nemen en legde een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 bij overschrijding. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan opposant ter hoogte van €700,50.