ECLI:NL:RBDHA:2026:21151

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.16008
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen proceskostenveroordeling in opvolgend beroep niet tijdig beslissen

Deze uitspraak betreft het verzet tegen de proceskostenveroordeling in een zaak over een opvolgend beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had eerder het beroep kennelijk gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding van €233,50 toegekend met een wegingsfactor van 0,25. Opposanten stelden dat deze wegingsfactor te laag was en verwezen naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een hogere wegingsfactor van 0,5 wordt gehanteerd.

De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is omdat de eerdere uitspraak ten onrechte een lagere wegingsfactor toepaste. De rechtbank volgt de lijn van de Afdeling en stelt de proceskostenvergoeding vast op €467,- voor het beroep. Daarnaast worden de proceskosten voor de verzetsprocedure vastgesteld op €934,-, wat leidt tot een totale vergoeding van €1.401,-. De minister wordt veroordeeld tot betaling van deze kosten aan de eisers.

De uitspraak van 27 mei 2026 blijft voor het overige in stand, behalve voor het onderdeel proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk voor zover het verzet betreft, maar wel voor het onderdeel beroep. De procedure is behandeld zonder nader onderzoek na de zitting, omdat dit niet bijdraagt aan de beoordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de proceskostenveroordeling wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.401,- aan proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16008 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam]

V-nummer: [nummer]
[naam 2],
V-nummer: [nummer 2],
[naam 3]
V-nummer: [nummer 3]
[naam 4],
V-nummer: [nummer 4]
,
gezamenlijk: opposanten [1] ,
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
tegen de uitspraak van de rechtbank in de beroepszaak van 27 mei 2026 in het geding tussen
opposanten
en
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde [2] ,
(mr. GW Wezelman)

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[naam]

V-nummer: [nummer],
[naam 2],
V-nummer: [nummer 2],
[naam 3]
V-nummer: [nummer 3],
[naam 4]
V-nummer: [nummer 4]
,

gezamenlijk: eisers,(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2026, waarin de rechtbank het opvolgende beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard. Het verzet richt zich uitsluitend tegen de vaststelling van de proceskostenveroordeling.
1.1.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond voor zover dit betrekking heeft op de proceskostenveroordeling.
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposanten en de gemachtigde van geopposeerde.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet uitsluitend of in de uitspraak van 27 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] was, dat het opvolgende beroep kennelijk gegrond was en dat de proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 233,50. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 27 mei 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de in een eerdere niet-tijdig-beslissen procedure [4] bepaalde nadere beslistermijn was verstreken. Door de rechtbank is een proceskostenvergoeding toegekend waarbij de wegingsfactor is bepaald op 0,25 (zeer licht).
Gronden verzet
4. Opposanten kunnen zich niet verenigen met de wijze waarop de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding is vastgesteld en voeren aan dat de zwaarte van de zaak en de daarmee gemoeide werkzaamheden zijn onderschat. Gelet op de hoeveelheid tijd die aan de zaak is besteed en de uit de stukken en reacties blijkende omvang van de verrichte werkzaamheden, verzoeken opposanten de rechtbank de vaste lijn in de rechtspraak te volgen, waaronder de rechtspraak van de eigen zittingsplaats en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 november 2023 [5] , en uit te gaan van een hogere wegingsfactor, hetgeen leidt tot een proceskostenvergoeding van € 467,-. Verder stellen opposanten dat het halveren van de proceskostenvergoeding bij dit type zaken in feite lijkt te zijn ingegeven door de grote hoeveelheid niet tijdig beslissen-zaken, maar dat dit een intern organisatorisch probleem van geopposeerde is, dat niet op de rechtzoekende of diens gemachtigde mag worden afgewenteld. Ten slotte verwijzen opposanten naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2026, waarin is geoordeeld dat ook bij een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen een wegingsfactor van 0,5 wordt gehanteerd. [6]
Oordeel van de rechtbank
5. De aangevoerde gronden over de gehanteerde wegingsfactor slagen. In de uitspraak van 27 mei 2026 is ten onrechte geoordeeld dat het opvolgende beroep van opposanten vereenvoudigd kon worden afgedaan, omdat de uitkomst van het beroep - voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling - niet buiten redelijke twijfel vaststond.
5.1.
Zoals door opposanten aangevoerd, heeft de Afdeling geoordeeld dat de bestuursrechter in beginsel wegingsfactor 0,5 toepast als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of het bestuursorgaan als gevolg daarvan een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om in opvolgende beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor toe te passen.
5.2. Gelet op deze ontwikkeling in de jurisprudentie is het verzet gegrond. Nu het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling, vervalt de uitspraak van 27 mei 2026 op dat punt en blijft de uitspraak van 27 mei 2026 voor het overige in stand. De rechtbank hervat het onderzoek voor zover het de proceskostenveroordeling betreft in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal hierbij tevens uitspraak doen op het beroep.

Beoordeling van de rechtbank van het beroep inzake de proceskostenveroordeling

6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep [7] , voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling. [8] Opposanten zullen hierna worden aangeduid als eisers en geopposeerde als de minister.
7. Omdat het verzet alleen ziet op de proceskostenveroordeling en gegrond verklaard zal worden, blijft de uitspraak van 27 mei 2026 voor het overige in stand en moet de rechtbank alleen opnieuw beslissen op het onderdeel proceskosten.
8. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast met toepassing van de wegingsfactor 0,5. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het oordeel van de Afdeling dat ook bij een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen een wegingsfactor 0,5 moet worden gehanteerd.
9. De minister moet in het beroep de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [9]

Conclusie en gevolgen

10. Het verzet is gegrond voor zover betrekking hebbend op de proceskostenveroordeling. Dat betekent dat de uitspraak van 27 mei 2026, voor zover betrekking hebbend op dat onderdeel, vervalt. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep niet tijdig beslissen vast op € 467,-.
10.1.
De minister moet ook de door de opposanten gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van de gemachtigde met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Dat betekent dat de totale proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 1.401,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet, voor zover gericht tegen de proceskostenveroordeling, gegrond;
  • verklaart dat de uitspraak van 27 mei 2026 ten aanzien van de proceskostenveroordeling vervalt;
  • veroordeelt de minister tot betaling aan eisers van € 1.401,- voor de proceskosten in beroep en in verzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposanten wordt bedoeld de indieners van het verzetschrift.
2.Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.NL25.273.
7.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
8.Artikel 8:75, van de Awb maakt dat mogelijk.
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.