Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2075

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/09/689146
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met behoud pleegzorg en contactregeling ouders

De kinderrechter heeft op 26 januari 2026 besloten tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleegzorgvoorziening tot 28 maart 2026, het einde van de ondertoezichtstelling. Dit besluit volgt op een eerdere beschikking van 4 november 2025, waarbij de machtiging reeds was verlengd tot 9 februari 2026. De gecertificeerde instelling verzocht om verdere verlenging, mede vanwege het ontbreken van uitbreiding van contactmomenten tussen de ouders en de minderjarige.

De moeder verblijft sinds 8 januari 2026 in een beschermde woonvorm met 24-uurs toezicht en begeleiding, wat een positieve ontwikkeling is. Desondanks is het volgens de gecertificeerde instelling nog te vroeg om terugplaatsing te overwegen, omdat de bestendigheid van de woonplek en de praktische invulling van begeleiding nog onvoldoende duidelijk zijn. De omgang tussen ouders en minderjarige blijft begeleid en beperkt tot één uur per week, zonder uitbreiding.

De kinderrechter constateert dat de gecertificeerde instelling onvoldoende heeft toegelicht waarom uitbreiding van contactmomenten niet mogelijk was en waarom niet is onderzocht of deze bij de pleegouders konden plaatsvinden. De kinderrechter benadrukt het belang van een duidelijk plan met stappen en timing om terugplaatsing mogelijk te maken, waarbij de regie bij de gecertificeerde instelling ligt. De machtiging wordt daarom verlengd tot 28 maart 2026 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 28 maart 2026 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/689146 / JE RK 25-1327
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek om verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
volgens de Basisregistratie Personen ingeschreven in [woonplaats 1] ,
feitelijk wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. van Amsterdam uit Leiden,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S.L. Prass uit Amsterdam.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2025 de machtiging om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 9 februari 2026 verlengd en de behandeling van het verzoek (dat strekt tot verlenging van die machtiging tot het einde van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ) voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 juli 2025;
  • de door de gecertificeerde instelling nagestuurde stukken, ontvangen op
  • de beschikking van 4 november 2025; ;
  • de update van de gecertificeerde instelling, met bijlage, van 13 januari 2026;
  • het op de zitting van 26 januari 2026 (zie hierna) door de gecertificeerde instelling overgelegde, op 23 januari 2026 gedateerde en van [naam 1] afkomstige, document met de titel ‘Verslag omgangsmomenten [de minderjarige] ’.
1.3.
Op 26 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling (als waarnemers voor de vaste jeugdbeschermer);
  • de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben een affectieve relatie.
2.2.
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.4.
[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.5.
De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] loopt af op 28 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot het einde van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het resterende deel van het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. De moeder heeft op 8 januari 2026 de sleutel ontvangen van een woning van Firmitas in [plaats] . Dit betreft een beschermde woonvorm, specifiek ingericht voor vrouwen en moeders. Binnen deze voorziening is sprake van 24-uurs toezicht; begeleiding is te allen tijde aanwezig of direct oproepbaar. In deze woonvorm wonen momenteel meerdere moeders met kinderen. De moeder moet zich dagelijks melden bij de begeleiding en heeft twee keer per week gesprekken met de begeleiding. Volgens de mentor van de moeder is de moeder, sinds zij in deze woonvorm verblijft, rustig, benaderbaar, goed in contact en gemotiveerd om aan haar situatie te werken. Hoewel dit een positieve ontwikkeling is, er nog onvoldoende zicht op de bestendigheid van deze woonplek, de praktische invulling van de begeleiding en de wijze waarop de moeder het dagelijks functioneren structureel vormgeeft. Afgesproken is dat de vader twee keer per week bij de moeder mag blijven logeren. Het is nog onbekend hoe deze regels zullen gaan luiden wanneer [de minderjarige] bij zijn moeder zou komen wonen en welke consequenties dit heeft voor zijn veiligheid en stabiliteit. In het pleeggezin waar [de minderjarige] verblijft, ontwikkelt hij zich nog steeds positief. Gelet op zijn jonge leeftijd en de cruciale fase in zijn gehechtheidsontwikkeling, blijft continuïteit en voorspelbaarheid in zijn verzorging en opvoeding van groot belang. De omgang tussen [de minderjarige] en zijn ouders vindt nog steeds begeleid plaats. De ouders hebben per week één uur contact met [de minderjarige] . Er heeft nog geen uitbreiding van de omgangsmomenten plaatsgevonden. Verzoeken hiertoe zijn besproken, waarbij het belang en de belastbaarheid van [de minderjarige] leidend is geweest. Naar het oordeel van de gecertificeerde instelling is het nog te vroeg om aan de recente plaatsing van de moeder in de woonvoorziening van Firmitas consequenties te verbinden voor het opvoedperspectief van [de minderjarige] . Er is sprake van een opstartfase en dit vraagt om verdere observatie en evaluatie. Voordat er sprake kan zijn van terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, zal de focus eerst nog op de eigen (cognitieve en emotionele) ontwikkeling van de ouders moeten liggen en zullen de mogelijkheden om de contactmomenten tussen de ouders en [de minderjarige] uit te breiden bekeken moeten worden.
3.3.
Namens de gecertificeerde instelling is ter zitting, in aanvulling op de update, naar voren gebracht dat uitbreiding van de omgang in de afgelopen periode niet heeft plaatsgevonden vanwege de vele ziekmeldingen van de ouders (9 van de 21 geplande contactmomenten konden daarom niet doorgaan), vanwege het vaak te laat komen van de ouders, waardoor de afspraken voor de omgangsmomenten moesten worden afgezegd omdat de wachttijd voor [de minderjarige] anders te lang zou worden, en vanwege het uitvallen van de vaste jeugdbeschermer aan het begin van 2026. De ouders zijn hierop aangesproken en sindsdien is er een verbetering is te zien.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is benadrukt dat de vaste jeugdbeschermer en, nadat zij uitviel de waarnemers, niet hebben geluisterd naar de opdracht die door de kinderrechter in de beschikking van 4 november 2025 is gegeven. Er is geen uitvoering gegeven aan de opdracht van de kinderrechter om te kijken naar de mogelijkheden om de contactmomenten tussen ouders en [de minderjarige] uit te breiden en te bezien of deze kunnen plaatsvinden bij de pleegouders, met wie de ouders een goed contact onderhouden. Er is daardoor kostbare tijd verloren gegaan. De moeder verblijft al enige tijd in de woonvoorziening van Firmitas, een organisatie waar de gecertificeerde instelling mee samenwerkt. Het is om die reden onbegrijpelijk dat in de update wordt vermeld dat niet duidelijk is welke ondersteuning aan moeder geboden kan worden en hoe lang zij daar kan blijven. De gecertificeerde instelling heeft als taak om de belangen van [de minderjarige] te beschermen en dat gebeurt op dit moment niet. De vaste jeugdbeschermer zit momenteel ziek thuis en de waarnemers blijken nergens iets van af te weten. De ouders hebben enorme stappen gezet. Het is daarom dat de moeder de kinderrechter verzoekt om, als het verzoek van de gecertificeerde instelling wordt toegewezen, waartegen de moeder geen bezwaar heeft, ook in de beschikking op te nemen dat [de minderjarige] vóór 28 maart 2026, het einde van de ondertoezichtstelling, bij de moeder moet worden geplaatst. In de tussentijd moet worden gestart met stapsgewijze uitbreiding van de contactmomenten.
4.2.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De zorgen waarover wordt gesproken, ziet de vader niet. De moeder woont inmiddels in een beschermde woonvorm en krijgt daar begeleiding zolang dat nodig is. De vader woont op een opvanglocatie en wacht nog steeds op een vervolgplek. De vaste jeugdbeschermer heeft sinds de vorige beschikking geen overleg meer gehad met de ouders en het is onduidelijk hoe zij dan wel een update heeft kunnen opstellen. Op de vele vragen die zij in de update heeft opgenomen, hebben de ouders een antwoord. Echter, die vragen worden nu tegen hen gebruikt omdat de jeugdbeschermer zegt die antwoorden niet te kennen. De pleegouders van [de minderjarige] zijn door de gecertificeerde instelling niet op de hoogte gesteld van de zitting en waardevolle informatie van hun kant is in genoemde update niet opgenomen. [de minderjarige] is nog heel jong en de ouders hebben vanaf zijn geboorte alles gedaan wat de jeugdbeschermer hen heeft gevraagd. Zij hebben stappen gezet. Keer op keer is de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd omdat er nog een onvolledig beeld zou zijn. De ouders treft hierin geen verwijt. De vader begrijpt dat [de minderjarige] niet direct naar de moeder kan. In de komende twee maanden zal de omgang moeten worden uitgebreid en zal moeten worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Bij beschikking van 4 november 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor een kortere periode dan verzocht verlengd. Reden hiervoor vormde:
- de gerede kans dat de moeder op korte termijn een plek zou gaan krijgen in een woonvoorziening van Firmitas en
- het belang, gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] en de daarmee verband houdende cruciale fase van zijn gehechtheidsontwikkeling, van onderzoek naar de mogelijkheden van uitbreiding van de (begeleide) contactmomenten tussen de ouders en [de minderjarige] en het laten plaatsvinden van die momenten bij de pleegouders.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat sinds het moment van het wijzen van genoemde beschikking geen uitbreiding van de contactmomenten heeft plaatsgevonden. De gecertificeerde instelling heeft naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende duidelijk gemaakt waarom dit niet tot de mogelijkheden behoorde in de periode vóórdat de moeder haar intrek nam in de woonvoorziening van Firmitas (vanaf het wijzen van voornoemde beschikking tot 8 januari 2026) en evenmin waarom dat vanaf 8 januari 2026 niet kon. In de update van de gecertificeerde instelling wordt alleen vermeld ‘dat het belang en de belastbaarheid van [de minderjarige] leidend zijn geweest’ en in het ter zitting door de gecertificeerde instelling overgelegde verslag van [naam 1] dat niet goed is in te schatten of het ouders ook bij contactmomenten van langere duur zal lukken om de aandacht op [de minderjarige] gericht te houden en zijn behoeften voorop te stellen. Een nadere toelichting op de bevindingen van [naam 1] heeft de gecertificeerde instelling ter zitting niet kunnen geven. Het afzeggen van 9 van de 21 contactmomenten, waarop is gewezen, betrof, zo volgt uit het verslag van [naam 1] , de periode vóór de beschikking van 4 november 2025.
5.4.
Naast dat uitbreiding van de contactmomenten niet heeft plaatsgevonden, is ook niet gebleken dat is bezien of deze momenten bij de pleegouders zouden kunnen plaatsvinden. Waarom dit niet is gebeurd, heeft de gecertificeerde instelling ter zitting niet duidelijk kunnen maken. Uit niets blijkt verder dat hetgeen in eerdergenoemd verslag van [naam 1] is opgenomen met de ouders is besproken en of de pleegouders, met wie de ouders een goed contact hebben, in het onderzoek naar uitbreiding van de contactmomenten zijn meegenomen. Tot slot heeft de gecertificeerde instelling op de zitting niet kunnen aangeven, anders dan met een verwijzing naar het rapport van Mereo over de gezinsopname, welke specifieke hulpverlening de ouders nog zouden moeten oppakken om in hun ouderrol te kunnen groeien, terwijl in de update van de gecertificeerde instelling wordt vermeld dat ‘persoonlijke ontwikkeling van de ouders’ één van de voorwaarden is voor plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. De kinderrechter hecht er aan in dit verband tot slot nog op te merken dat in genoemd verslag van [naam 1] tal van positieve punten worden benoemd over de wijze waarop de contactmomenten in de afgelopen periode zijn verlopen.
5.5.
In de woonvoorziening van Firmitas waar de moeder sinds bijna drie weken verblijft is, zo heeft de kinderrechter begrepen, 24 uur per dag toezicht en begeleiding aanwezig, de moeder kan daar alle hulp krijgen die zij nodig heeft en zowel haar bewindvoerder als haar coach kunnen aansluiten. De moeder is daar goed geland, kan daar voor langere tijd blijven en is gemotiveerd om aan zichzelf te werken met als doel [de minderjarige] bij haar te kunnen laten wonen. Het is, mede gezien deze belangrijke wijziging in de (woon)situatie van de moeder en om de band tussen [de minderjarige] en zijn ouders te bevorderen, van het grootste belang dat er vóór het einde van de ondertoezichtstelling, samen met de ouders en de pleegouders, een duidelijk plan wordt gemaakt waarin de stappen die moeten worden gezet voordat [de minderjarige] bij de moeder geplaatst kan worden, inclusief de daarbij behorende timing, zijn opgenomen. Het is eveneens van het grootste belang, gelet op de leeftijd van [de minderjarige] en de fase van zijn gehechtheidsontwikkeling, dat hier haast mee wordt gemaakt. Wanneer er in de komende periode punten naar voren komen in het contact tussen de ouders en [de minderjarige] die aandacht behoeven, dan kan daaraan gewerkt worden en het is van belang dat de gecertificeerde instelling de regie daarin pakt.
5.6.
De kinderrechter zal, nu plaatsing van [de minderjarige] bij (in ieder geval) de moeder thans nog niet in zijn belang is, hetgeen de ouders ook erkennen, de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, dat wil zeggen tot 28 maart 2026.
5.7.
Mocht de gecertificeerde instelling een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de rechtbank indienen, dan wordt zij verzocht bij dit verzoek in ieder geval verslagen van [naam 1] van de contactmomenten tussen de ouders en [de minderjarige] , evaluatieverslagen van [naam 1] , informatie vanuit Firmitas en het plan voor het toewerken naar plaatsing bij de moeder te voegen. De kinderrechter merkt in dit verband nog dat er met de ouders gecommuniceerd moet worden over (tussentijdse) bevindingen, zodat zij, als hier aandachtspunten uit naar voren komen, daarmee aan de slag kunnen.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 2 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.