ECLI:NL:RBDHA:2026:20726

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39339
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 VbArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende belangenafweging en toekenning schadevergoeding

Eiseres is op 14 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde dat de openbare orde de maatregel vordert vanwege een risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure. Eiseres betwistte de maatregel niet inhoudelijk, maar voerde aan dat de belangenafweging onvoldoende was gemaakt.

De rechtbank constateert dat eiseres sinds haar asielaanvraag in 2008 in Nederland verblijft, zich steeds heeft gemeld en medische gronden voor uitstel van vertrek heeft aangevoerd. Ondanks afwijzingen van verblijfsaanvragen en uitstelverzoeken, heeft zij zich niet aan toezicht onttrokken. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met deze persoonlijke omstandigheden, waaronder haar leeftijd en medische situatie.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is en beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 24 juli 2026. Tevens kent zij een schadevergoeding toe van €1.360 voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten van €1.868. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en er is een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39339

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [2] die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. [3] Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend. [4]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is onrechtmatig. De minister heeft bij de beoordeling of een lichter middel kon worden opgelegd, onvoldoende gewicht gegeven aan de omstandigheden en belangen van eiseres. Er is reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. [5]
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is in de rechtbank in Groningen verschenen, samen met haar gemachtigde. Ook is de gemachtigde van de minister verschenen. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. [6] De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. [7] De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [8] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [9]
De aan eiseres opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
h. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres met het besluit van 7 oktober 2009 afgewezen. Hierbij is ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd. Eiseres is hiertegen in beroep en hoger beroep gegaan, welke ongegrond zijn verklaard op 27 mei 2010 en op 23 augustus 2010. Vervolgens heeft eiseres verschillende keren op medische gronden uitstel van vertrek gevraagd. Ook is een verblijfsvergunning op reguliere gronden gevraagd, die op 11 augustus 2022 is afgewezen. Op 5 augustus 2025 heeft eiseres met toepassing van artikel 64 van Pro de Vw opnieuw uitstel van vertrek verzocht op medische gronden. Op 6 januari 2026 is aan haar voorlopig uitstel van vertrek verleend, tot uiterlijk 6 juli 2026. Vervolgens heeft de minister op 2 juni 2026 afwijzend beslist op het gevraagde uitstel van vertrek. Hierbij is schorsende werking tijdens bezwaar aan haar onthouden. Eiseres is hierdoor verwijderbaar: de beschikking van 7 oktober 2009 staat in rechte vast, zij heeft geen uitstel van vertrek en zij moet Nederland onmiddellijk verlaten en zich naar Armenië begeven. Eiseres is op
14 juli 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden ten onrechte aan eiseres zijn tegengeworpen. Alleen die gronden zijn al voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. De rechtbank laat de gronden daarom verder onbesproken.
Lichter middel
8. De rechtbank oordeelt echter dat de minister, bij de beoordeling of een lichter middel kon worden toegepast, de persoonlijke belangen van eiseres onvoldoende heeft meegewogen. De maatregel van bewaring is onevenredig bezwarend. De rechtbank betrekt daarbij de volgende omstandigheden.
9. Vaststaat dat eiseres sinds haar asielaanvraag op 29 oktober 2008 in Nederland verblijft. Zij heeft verschillende aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning en voor uitstel van vertrek op medische gronden. Deze aanvragen zijn steeds afgewezen waardoor eiseres geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Niet betwist is echter dat eiseres zich al die tijd niet aan het toezicht heeft onttrokken en dat zij zich in elk geval de laatste periode elke twee weken bij de autoriteiten heeft gemeld. De minister wijst er weliswaar niet ten onrechte op dat in het verleden verschillende maatregelen zijn genomen om eiseres te bewegen Nederland te verlaten maar de rechtbank stelt ook vast dat die maatregelen sinds 2009 geen resultaat hebben gehad.
10. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook dat eiseres inmiddels 77 jaar is, voor diverse fysieke aandoeningen medisch-specialistische behandeling heeft, dat zij sinds 2015 feitelijk verzorgd wordt door stichting INLIA en aldaar vast onderdak heeft en zich, zoals hiervoor al opgemerkt, nooit aan het toezicht heeft onttrokken. Verder is van belang dat eiseres opnieuw uitstel op medische gronden heeft gevraagd en dat nog niet is beslist op het bezwaar dat is ingediend tegen de afwijzing daarvan.
11. Dat eiseres zich niet, zoals haar in het gesprek van 7 juli 2026 door de regievoerder van DT&V [10] was opgedragen, uiterlijk op 14 juli 2026 bij IOM [11] had ingeschreven, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om eiseres direct na afloop van het gesprek op 14 juli 2026 in bewaring te stellen. Eiseres had immers gemeld dat zij op 16 juli 2026 wel een afspraak met IOM had en zij had daarvoor een aannemelijke verklaring.
12. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden, sprake is van onevenredige bezwaren. Niet valt in te zien waarom het noodzakelijk was om eiseres nu in bewaring te stellen en waarom de belangen van de minister nu, gezien alle omstandigheden en belangen van eiseres, zwaarder moeten wegen dan die van eiseres.
13. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juli 2026.
Schadevergoeding en proceskosten
14. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, aan eiseres een schadevergoeding toekennen ten laste van de Staat. De rechtbank ziet gronden om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,00 (verblijf politiecel) en 10 x € 120,00 (verblijf detentiecentrum) = € 1.360,00.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juli 2026;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.360,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Hierna: bewaring.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
5.Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
8.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
9.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
10.Dienst Terugkeer & Vertrek.
11.International Organisation for Migration.