ECLI:NL:RBDHA:2026:20723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.16432
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag afgewezen wegens gebrek aan procesbelang

Eiser heeft tweemaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 7 augustus 2025. Op het eerste beroep van 27 februari 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister binnen zestien weken een besluit moet nemen. Het tweede beroep, ingediend op 24 maart 2026, wordt door de rechtbank als niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, aangezien de rechtbank al op het eerste beroep heeft beslist.

De rechtbank legt de minister een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- indien de minister niet binnen de gestelde termijn van zestien weken na deze uitspraak een besluit neemt. Deze termijn is gebaseerd op het '8+8 wekenmodel' zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en openbaar gemaakt op 24 juli 2026. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, met oplegging van een dwangsom en een termijn van zestien weken voor besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16432

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R. Roelofsen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 7 augustus 2025.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [2] Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [3] Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [4] Eiser heeft op 27 februari 2026 het eerste beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag ingediend. [5] Op 7 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak gedaan, het beroep van eiser gegrond verklaard en daarbij de minister opgedragen om binnen zestien weken een besluit op de aanvraag bekend te maken.
3.
Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.Op 24 maart 2026 heeft eiser onderhavig beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde asielaanvraag ingediend. Deze uitspraak gaat over het beroep van 24 maart 2026.
4.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dit procesbelang. Eiser heeft tweemaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Nu de rechtbank al op het eerste beroep van 27 februari 2026 heeft beslist, is er geen belang meer bij de beoordeling van het tweede beroep.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5.
De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [6] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen
van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [7] Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen.
De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6.
De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [8]
7.
De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [9]

Conclusie en gevolgen

8.
Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
9.
De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten
stelt de rechtbank vast op €467,-. [10] Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van het bekendmaken van

deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;

  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde
publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin
u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit
verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet
deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,
kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).